De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 230
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
den bij het wetenschappelijk onderwijs kunnen sterk verschillen zonder dat
dergeUjke leermethoden nu direct school maken op een wijze als dat bij het
lager onderwijs is geschied door onder meer Maria Montessori, Helen Park-
hurst, Kees Boeke, Don Bosco, op 'De Klokkenberg' en elders en door
anderen.^^"^ Van de vrijheid van de leermethode wordt bij het wetenschappe-
lijk onderwijs nergens een systematisch gebruik gemaakt. Zij bestaat niette-
min voorzover de eigen richting van de bijzondere instellingen deze mocht
bUjken te eisen.
IV. 9. De vrijheid van inrichting van het bestuur
IV.9.1. De eigen aard van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs
De Grondwet noemt de vrijheid van inrichting van het bestuur niet als één
van de uitdrukkelijk door de wetgever in acht te nemen of te eerbiedigen
vrijheidsrechten van het bijzonder onderwijs. Hiervoor is echter al bij her-
haling aangegeven, dat de richting van een bijzondere universiteit of hoge-
school en vooral de handhaving van die richting aanleiding kan zijn tot een
van het openbaar wetenschappelijk onderwijs afwijkende inrichting van het
bestuur;^^^ gewezen werd in dat verband op het feit, dat bijvoorbeeld de VU
nooit een academisch zelfbestuur heeft gekend. Tevens is er op gewezen, dat
het privaatrechtelijk karakter van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs
aanleiding is tot een gedeeltelijk afwijkende inrichting van het bestuur. Deze
beide verschillen geven aan, dat het bijzonder wetenschappelijk onderwijs ten
opzichte van het openbare een eigen aard heeft; de wetgever heeft in de WUB
erkend, dat deze eigen aard aanleiding is en kan zijn voor een eigen bestuurs-
inrichting.'^* Sedertdien heeft de overheid nog bij herhaling de eigen aard
van het bijzonder onderwijs en op grond daarvan de vrijheid van inrichting
van het bestuur erkend.'^'' Dit is onder andere gebeurd bij het optreden van
het kabinet-Van Agt in 1978.''*
Tegenover de erkenning van de vrijheid van inrichting van het bestuur
staat, dat de wetgever met name door middel van de WUB deze vrijheid en
daarmee ook de vrijheid van richting, die wel met zoveel woorden in de
Grondwet is genoemd, op drastische wijze heeft beperkt.'^' Bij de behande-
ling van deze wet door de Eerste Kamer zijn zelfs pogingen aangewend om
de eigen aard van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs uitsluitend te be-
154. De LO-wet laat dan ook expliciet ruimte voor de ontwikkeling van verschillende
leermethoden; vgl. artt. 10-12 van het ontwerp van wet op het basisonderwijs, Bijlagen
bij de Handelingen II 1976-1977, no. 14428.
155. Zie par. III.9.1., IV.4.3. en IV.5.2.
156. Art. 42 WUB; vgl. de nota 'Kanttekeningen', par. III.9.3.
157. Zie het advies van de Onderwijsraad bij het ontwerp van wet op het basisonderwijs;
Bijlagen bij de Handelingen H 1976-1977, no. 14428.
158. Zie de regeringsverklaring dd. 16 januari 1978: 'In de eerste plaats zal de eigen
aard van het openbaar en het bijzonder onderwijs worden gewaarborgd;' de vrijheid van
inrichting is uitgangspunt van het beleid.
159. Ziepar. III.9.6.
218
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's