De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 28
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
door pubUek gezag, 't zij voor geheel het land, 't zij voor eene provincie of
plaats geopend, behoort te berusten, dit bleef achterwege. In stede dat de
hulp, welke het gouvernement zocht bij de wet van 1806, tot eene nieuwe
omvattende wetgeving ook ten aanzien van het hooger onderwijs zou hebben
geleid, werd die wet een middel om de medewerking der Staten-Generaal, en
alzoo de vestiging eener niet door koninklijke besluiten buigzame orde, te
ontwijken'. Met deze toelichting was de aard van het voorstel wel getekend;
het voorgestelde artikel beoogde niet om expliciete waarborgen voor de vrij-
heid van onderwijs te scheppen. Door op dit punt te zwijgen kon in het
gunstigste geval slechts de indruk worden gewekt, dat het bijzonder onder-
wijs aan de bemoeienis van de wetgever onttrokken zou moeten blijven, maar
een waarborg tegen overheidsingrijpen betekende dit, naar de ervaringen met
de Grondwet van 1815 inmiddels hadden geleerd, geenszins.'^'*
Naar bekend verwierp de Tweede Kamer de voorstellen der Negen-
mannen.'^^ In 1848 werd een aantal weinig vérstrekkende regeringsvoorstel-
len tot wijziging van de Grondwet eveneens afgewezen. Vervolgens werd een
staatscommissie met daarin Donker Curtius en Thorbecke belast met de
voorbereiding van een geheel nieuwe Grondwet.'^^ Deze commissie nam het
voorstel van de Negenmannen met betrekking tot het onderwijs over, maar
voegde daaraan toe de zinsnede: 'het geven van onderwijs is vrij, behoudens
het onderzoek naar de bekwaamheid des onderwijzers en het toezigt der
overheid, beide door de wet te regelen'. Ter toeuchting werd nu opgemerkt:
'PubHek onderwijs is dat, hetwelk van overheidswege wordt gegeven. Dit mag
echter het algemeene recht, anderen te onderrichten niet hinderen onder
voorwaarde slegts, dat hij die van onderwijs zijn beroep wil maken, aan die
proeven van bekwaamheid en zoodanig toezigt onderworpen zij, welke het
pubhek eenige zekerheid schenken, dat de hoogste belangen van het opko-
mend geslacht niet aan onwaardige handen worden toevertrouwd'.'^'^ Terecht
heeft Scholten'^^ erop gewezen, dat de vrijheid van onderwijs hier zuiver
werd geregeld als een vrijheid van beroep, maar niet werd gegarandeerd 'als
uitvloeisel der geestelijke vrijheid'. Uit dien hoofde kon het commissievoor-
stel in de ogen van vele voorvechters van de vrijheid van onderwijs nog geen
genade vinden.
Het inmiddels opgetreden ministerie-Donker Curtius nam de voorstellen
van de staatscommissie vrijwel ongewijzigd over. Alleen de beperking van de
vrijheid, die het de regering mogelijk moest maken een onderzoek naar de
bekwaamheid van de onderwijzers bij het bijzonder onderwijs in te stellen,
kwam voor wat betreft het hoger onderviijs te vervallen. Een toehchting van
deze wijziging ontbreekt; Thorbecke'^^ veronderstelde, dat R.K.-invloeden
124. Vgl. Scholten, blz. 119: 'Niet opgenomen is een stellige garantie van vrijheid van
onderwijs'.
125. Zie 'Handelingen over de voorstellen tot Grondwets-herziening in 1845', Belin-
fante 1846.
126. KB van 17 maart 1848, opgenomen in 'Handelingen over de Herziening der Grond-
wet, 1847-1848', Belinfante 1848.
127. Het ontwerp van de commissie dateert van 11 april 1848; art. 183 daarvan betrof
het onderwijs.
128. T.a.p. blz. 130.
129. In zijn 'Bijdrage tot de herziening der Grondwet'.
18
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's