De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 223
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
t e n , " ' 'uiteraard met inachtneming van de regeling van de examenpro-
gramma's in het Academische Statuut, die echter steeds vaker zeer globaal
wordt gehouden. Er is op dit zeer belangrijke punt zelfs geen voorbehoud
van goedkeuring door de senaat gemaakt ofschoon dat lichaam volgens de
Hoger-Onderwijswet 1876 het collegerooster (series lectionum) voor de ge-
hele universiteit vaststelde'.'^"
In het algemeen kan dus worden vastgesteld, dat de wet WO in navolging
van de HO-wet zowel de openbare als de bijzondere instellingen een grote
vrijheid laat bij de inrichting van het wetenschappelijk onderwijs. Wel bestaat
bij de overheid de neiging om de programmering van het wetenschappelijk
onderwijs aan een steeds groter aantal richtlijnen — onder andere met betrek-
king tot de cursusduur - te binden.'^' De faculteiten en de docenten dienen
aan deze summiere omschrijving meer inhoud te geven. Daardoor kan de in-
richting van het onderwijs in bepaalde studierichtingen soms van instelling
tot instelling sterk verschillen; aan de hand van de door het Academisch Sta-
tuut gegeven hoofdlijnen kunnen de accenten door de faculteiten zeer ver-
schillend worden gelegd. Dit treedt aan het licht bij het zogenaamde leer-
stoelenbeleid van de verschillende instellingen van wetenschappelijk onder-
wijs, dat is het beleid met betrekking tot de benoeming van hoogleraren en
lectoren. Ook getalsmatig kunnen daardoor de verschillen in omvang tussen
gelijke faculteiten soms zeer groot zijn.'^^
Naast de vrijheid tot het nader inrichten van de in het Academisch Statuut
opgenomen studierichtingen kan de behoefte ontstaan om ook daarin niet
vermelde studierichtingen in te richten. De wet WO biedt de erkende instel-
lingen van wetenschappelijk onderwijs daartoe de gelegenheid.'^^ Ook buiten
deze instellingen kan echter behoefte aan de inrichting van nieuwe studie-
richtingen ontstaan. De ontwikkeling van het hoger handelsonderwijs is daar-
van een voorbeeld; een ander, meer recent voorbeeld is de ontwikkeling van
de opleiding bedrijfskunde door de Stichting Nijenrode.'^'*
Deze beide voorbeelden geven aan, dat de behoefte om nieuwe studierich-
tingen in te richten soms aanleiding kan zijn tot het oprichten van nieuwe
instellingen van wetenschappelijk onderwijs. Ten opzichte van de erkende
universiteiten en hogescholen, die ten laste van 's rijks kas nieuwe studierich-
tingen tot ontwikkeling kunnen brengen, verkeren dergelijke nieuwe instel-
lingen zeker in financieel opzicht in het nadeel.'^' Toch zou het strijdig zijn
met het belang van de verdere ontwikkeling van de wetenschap en het weten-
schappelijk onderwijs om aan dergelijke nieuwe instellingen a priori iedere
overheidssteun te onthouden. De overheid dient dan ook genuanceerd te zijn
119. Vgl. art. 5 9 ü d 3 wetWO.
120. Aldus Arriëns, blz. 106.
121.Ziepar. II.7.1.enII.7.2.
122. In 1976 telde de faculteit der rechtsgeleerdheid aan de VU twaalf hoogleraren, die
aan de Rijksuniversiteit te Leiden had 36 hoogleraren.
123. Artt. 20 en 21 wet WO; vgl. par. IV.3.2.
124. Art. 25 wet WO; zie ook Bijlagen bij de HandeUngen II 1974-1975, no. 13277,
wet van 5 november 1975, Stb. 623.
125. Anders ligt dit met de bekostiging van de theologische hogescholen, die buiten de
wet WO om geschiedt; zie par. II.5.4.
211
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's