De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 211
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
instelling. Op verwezenlijking van dit plan behoeft wel nauwelijks meer te
worden gerekend.'*
IV.3.2. Nieuwe studierichtingen en faculteiten
Terwijl de vrijheid tot het stichten van nieuwe en voor aanwijzing door de
overheid vatbare instellingen van wetenschappelijk onderwijs volledig open
blijft, is de praktische waarde van deze vrijheid betrekkelijk gering. De ope-
ning van dergelijke instellingen komt hoogstzelden voor; trouwens ook de
opening van nieuwe, openbare instellingen van wetenschappelijk onderwijs is
een zeldzaamheid. Van groter praktisch belang is daarom de vraag in hoe-
verre bestaande en erkende bijzondere instellingen het recht, de vrijheid en
de financiƫle mogelijkheden hebben om hun voorzieningen uit te breiden
door middel van de vestiging van nieuwe studierichtingen of faculteiten.
De aangewezen, niet uit de openbare kas bekostigde bijzondere universitei-
ten en hogescholen zijn vrij om nieuwe, al dan niet in het Academisch
Statuut vermelde studierichtingen of faculteiten op te richten. Zij kunnen in
voorkomende gevallen volstaan met de mededeling aan de minister, dat hun
statuten of reglementen zijn gewijzigd.''' Om te worden opgenomen in de
aanwijzing als zijnde gelijkgerechtigd met de rijksinstellingen moeten deze
nieuwe studierichtingen of faculteiten echter wel aan een aantal voorwaarden
voldoen. Zo zullen de aan te wijzen nieuwe studierichtingen in het Acade-
misch Statuut en de nieuwe faculteiten in de wet WO vermeld moeten staan.
Indien op het tijdstip van oprichting van nieuwe studierichtingen of facul-
teiten niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, dan kan dit er de over-
heid toe brengen om deze nieuwe studierichtingen of faculteiten alsnog te
regelen en mitsdien een zekere bescherming te bieden, zoals dit indertijd ook
voor de beide economische hogescholen is geschied.''^ Een tweede voor-
waarde, die betrekking heeft op de aanwijzing van nieuwe faculteiten, is dat
deze faculteiten bij de aanwijzing ten minste vijf hoogleraren moeten
tellen."
Ook de uit de openbare kas bekostigde bijzondere universiteiten en hoge-
scholen zijn tot op zekere hoogte vrij om nieuwe studierichtingen en facultei-
ten in te stellen. Voorzover deze nieuwe studierichtingen en faculteiten vol-
doen aan de in de wet WO en het Academisch Statuut gestelde voorwaarden
verkrijgen zij automatisch erkenning. Voor de KHT geldt daarbij de bij-
zondere bepaling, dat economische hogescholen alleen de faculteiten der eco-
nomische wetenschappen, der sociale wetenschappen en der rechtsgeleerd-
heid kunnen omvatten.'* Als gevolg daarvan verkrijgen studierichtingen en
faculteiten, die weliswaar volledig voldoen aan de in de wet en het Acade-
misch Statuut gestelde voorwaarden, maar die buiten de drie genoemde
faculteiten vallen niet automatisch erkenning. Zo is voor de instelling van een
74. Aanleiding vormde het advies van het College van Ziekenhuisvoorzieningen omtrent
de beddensituatie in de regio Amsterdam dd. 3 mei 1976.
75. Art. 123 Ud 1 wet WO.
76. Vgl. par. II.4.2.
77. Dit valt op te maken uit art. 120 sub a wet WO.
78. Art. 19Ud 1 wet WO.
199
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's