Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 140

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 140

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

III.5.4. De subsidiepercentages verhoogd

De wetswijziging van 1952 nam een stuk kou uit de lucht; gedurende enkele

jaren heerste een relatieve rust, die slechts werd onderbroken door een reeks

van beroepen van de bijzondere instellingen op de Kroon.^"^ Het ontstaan

van deze kroonjurisprudentie was een indicatie voor de allengs groter

wordende afhankelijkheid van de bijzondere instellingen van financiële steun

van de overheid: ook over de verlening van kleinere bijdragen werd geproce-

deerd.

Tot 1947 hadden vooral de bijzondere universiteiten moeten woekeren

met de vrijwel uitsluitend door particulieren bijeen gebrachte middelen.^^

Toen echter in 1948 werd besloten om met terugwerkende kracht vanaf 1

januari 1947 het bijzonder hoger onderwijs ten dele te bekostigen begonnen

de bijzondere instellingen met steun van deze subsidiebedragen in snel tempo

uitbreidingen te realiseren. Verschillende factoren hebben ertoe bijgedragen,

dat deze instellingen ondanks - of moet men zeggen: als gevolg van? - de

financiële steun van het rijk^''^ in ernstige moeilijkheden kwamen.^' De be-

maximum voortaan de autorisatiebegrotingen van de rijksuniversiteiten over het lopende

begrotingsjaar te volgen. Verder werd voorgesteld het ontvangen van subsidies uit andere

overheidskassen tot een bepaald maximum toe te staan en de lacune in art. 39 Pensioen-

wet 1922 op te heffen (zie blz. 125 noot 188)

201. Wet van 26 juni 1952, Stb. 377.

202. Het betrof de volgende gevallen:

— KB van 14 november 1949, zie blz. 127;

— KB van 3 april 1954, no. 5, vernietigde een beslissing van de staatssecretaris van

OKW, waarbij het salaris van de procurator voor de bouw van de medische faculteit bij

de KU niet subsidiabel was verklaard, omdat het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijks-

ambtenaren 1948 deze functie niet kende;

— KB van 21 februari 1955 verklaarde het beroep van de NEH tegen de beslissing om de

aankoop van een pand voor de huisvesting van een hoogleraar met te subsidiëren ongegrond.

— KB van 10 september 1955, no. 23, verklaarde een beroep van de KU tegen de beslis-

sing om een financiële bijdrage van de gemeente als subsidie te beschouwen ongegrond.

Zie ook par. HI.4.1. en blzz. 116 en 123;

— KB van 5 juU 1956, no. 19, verklaarde een beroep van de VU tegen de beslissing om

verschillende studentenvoorzieningen niet-subsidiabel te verklaren grotendeels ongegrond;

— KB van 17 december 1956, no. 13, en KB van 5 oktober 1961, no. 13, verklaarden

beroepen van de VU tegen het opnieuw niet-subsidiabel verklaren van studentenvoorzie-

ningen ongegrond.

203. Volgens Terpstra was in 1946 voor de VU f 350.000 bijeen gebracht; over de

daaraan voorafgaande 20 jaar betrof dit een bedrag van ca. f 5 miljoen. De VU telde in

1946 bijna 60.000 leden en begunstigers, terwijl daarnaast meer dan 40.000 VU-busjes

waren geplaatst. Zie Handelingen II 1947-1948, blz. 1436.

204. Na de aanwijzing van de medische faculteit in 1952 werd de VU voor 85% gesubsi-

dieerd; brief OKW dd. 9 mei 1952, HOW 253227 I.

205. De situatie werd verergerd door een aantal verhogingen van de ambtenarensalaris-

sen, die de bijzondere instellingen moesten volgen. Ook voorzag de wet-Gielen niet in

bekostiging van de studentenvoorzieningen, die na 1946 sterk werden uitgebreid. Pas in

1953 werden aanzetten voor een te voeren beleid ontwikkeld; Nota inzake de voorzienin-

gen ten behoeve van studenten. Bijlagen bij de Handelingen II 1952—1953, no. 3002.

Sedert 1954 werden de studentenvoorzieningen bij de bijzondere instellingen buiten de

HO-wet om op geUjke voet bekostigd als bij de openbare insteUingen; zie Memorie van

Antwoord Rijksbegroting 1954, blz. 19.

128

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 140

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's