De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 144
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
bekostiging, maar in het vorig hoofdstuk is daaraan al aandacht besteed,^^*
zodat hier uitsluitend nog aandacht behoeft te worden besteed aan de
overige bekostigingsvoorwaarden.
Door onderscheid te maken tussen eisen van deugdelijkheid, die tevens gel-
den als voorwaarden voor bekostiging, en de overige bekostigingsvoorwaar-
den werden in beginsel twee stellen subsidievoorwaarden in de hoger onder-
wijs-wetgeving geïntroduceerd. Op zichzelf was dat verklaarbaar en aanvaard-
baar: de deugdelijkheid van het bijzonder onderwijs betekent nog geenszins
een waarborg voor een verantwoord bestedingspatroon van de ontvangen
subsidies. Praktisch gesproken is het hanteren door de wetgever van én eisen
van deugdelijkheid én een aantal voorschriften van louter procedurele of
financieel-administratieve aard dus wel begrijpelijk. Verrassend is slechts, dat
bij de totstandkoming van het nieuwe onderwijsartikel in de Grondwet in
1917 met zoveel woorden is gesteld, dat het gebruik van twee begrippen in
dat artikel niet de introductie betekende van twee stellen subsidievoor-
waarden; alleen ten aanzien van de deugdelijkheid van het bijzonder onder-
wijs zouden eisen gesteld kunnen worden.^^'' Huart merkte al snel op, dat in
de praktijk waarschijnlijk toch van twee stellen subsidievoorwaarden sprake
zou blijken te zijn. Hij meende, dat de bekostiging van het bijzonder onder-
wijs uit de openbare kassen het onvermijdelijk zou maken 'om ook voorwaar-
den te stellen, die met het belang van het onderwijs zelfs niet meer uit de
verte te maken hebben. Het is daarom onmogelijk die voorwaarden als
eischen van deugdelijkheid te construeren. Tot beider vereenzelviging leidde
vermoedelijk wel de vrees voor willekeur bij het opleggen van andere voor-
waarden dan die verhooging van het onderwijspeil zouden beoogen'.^^^
De vrees van Huart is gerechtvaardigd. Lid 5 van het onderwijsartikel in de
Grondwet opent de mogelijkheid aan elke uit de openbare kas te bekostigen
vorm van bijzonder onderwijs eisen van deugdelijkheid te stellen. Lid 7 opent
daarnaast de mogelijkheid om aan enkele vormen van bijzonder onderwijs
bovendien voorwaarden voor bekostiging te stellen; tot deze laatsten behoort
niet met zoveel woorden het bijzonder hoger of wetenschappelijk onderwijs,
zodat het de vraag is of, indien eisen van deugdelijkheid niet worden vereen-
zelvigd met voorwaarden voor bekostiging, aan deze vorm van bijzonder
onderwijs beide soorten voorwaarden gesteld mogen worden. Minister Cort
van der Linden sprak in 1917 uit, dat de twee soorten voorwaarden inder-
daad behoren te worden vereenzelvigd,^^' maar de praktijk is een andere. Zo
zegt Van der Net over de voorwaarden voor bekostiging, dat 'de Grondwet
ten aanzien van deze laatste rubriek generlei beperking voorschrijft', al meent
hij wel, dat de wetgever zich te dien aanzien de nodige beperkingen dient op
te leggen.^^^
Indien de eisen van deugdelijkheid niet behoeven te worden vereenzelvigd
226. Zie par. II.5.
227. Zie par. III.2.3.
228. T.a.p. blz. 380.
229. Zie hiervoor blz. 104.
230. T.a.p. blz. 13.
132
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's