De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 84
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
tot voorbereiding van de herziening van wetsontwerp 2597, opnieuw onder
voorzitterschap van Van der Pot, belast met de herziening van het indertijd
door minister Rutten ingediende wetsontwerp.'*^
Medio 1958 bracht de tweede commissie-Van der Pot rapport uit. Over dit
rapport werd het advies van alle universiteiten en hogescholen ingewonnen,
waarna de minister zich gedurende enkele dagen met zijn ambtenaren terug
trok op de Hoge Veluwe om de indiening van een herzien ontwerp van wet
voor te bereiden. Het resultaat van dit Veluws overleg bereikte de instellin-
gen in de zomer van 1959 met het verzoek om commentaar.'*"
II.5.2. Van voorontwerp tot wet
Het voorontwerp van minister Cals brak met de term 'hoger onderwijs'; daar-
voor in de plaats kwam het begrip 'wetenschappelijk onderwijs'. De universi-
teiten en hogescholen werden gezamenlijk aangeduid als de 'instellingen van
wetenschappelijk onderwijs'. In de derde titel van het voorontwerp werden
onderscheiden de 'geheel of ten dele uit de openbare kas bekostigde universi-
teiten en hogescholen' en 'de niet uit de openbare kas bekostigde universitei-
ten en hogescholen en de bijzondere leerstoelen en lectoraten'. De eerste
afdeling van deze titel begon met een nominatieve opsomming, althans aan-
duiding van alle openbare en bijzondere universiteiten en hogescholen.'*'
Deze nominatieve aanduiding van de bijzondere instellingen in de wet is
een vreemde figuur; een opsomming van de openbare instellingen ligt daaren-
tegen voor de hand: de overheid staat er immers borg voor, dat deze instel-
lingen als erkende opleidingsinstituten in stand zullen Élijvem Ten aanzien
van de bijzondere universiteiten en hogescholen kan de wetgever een derge-
lijke waarborg echter niet verschaffen. Terecht vroegen deze instellingen zich
dan ook af of tegenover een eventueel voordeel 'in administratieve zin''**
niet het nadeel van gelijkschakeling met de openbare instellingen stond.
Van principiële betekenis was vervolgens het voorstel om te breken met
het, ook door de Grondwet voorgeschreven overheidstoezicht op de kwahteit
van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs. Sedert 1905 had de HO-wet
de overheid de middelen verschaft om toezicht op de aangewezen bijzondere
universiteiten en hogescholen te kunnen houden, maar vanaf 1961 zouden
->•
3002. De commissie-Rutten bracht op 22 november 1956 rapport uit; in 1959 verenigde
de minister zich met dit rapport; Bijlagen bij de Handelingen II 1959, no. 5601.
Voorts kan gedacht worden aan de commissie spreiding hoger onderwijs, ingesteld naar
aanleiding van een prognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de studenten-
aantallen tot 1970. Deze commissie werd later ingesteld bij besluit dd. 25 juli 1957,
HOW 31755.
163. Beschikking dd. 11 december 1956, HOW 25331. De commissie bestond uit het
oude driemanschap en raadadviseur Woltjer; later werd zij uitgebreid met prof.mr. C.H.F.
Polak en namens het Inter-Universitair Contact Orgaan jhr. dr. M.L. van Holthe tot
Echten.
164. Brief van minister Cals dd. 31 juH/21 augustus 1959, HOW 55530.
165. Aanduiding, want de bijzondere instellingen werden niet met name genoemd; vol-
staan werd met een aanduiding van de plaats van vestiging.
166. Namelijk: 'Geen commissie van toezicht, geen visering van diploma's'; zie notulen
lUCO dd. 23 september 1959.
74
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's