De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 107
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
III. De voorwaarden voor bekostiging
III. 1. De materiële vrijheid van onderwijs
Het geven van onderwijs is duur; zowel de leermiddelen als de salariëring van
het onderwijzend personeel vergen jaarlijks grote sommen gelds. Afgezien
van de eigen bijdragen van studenten en ouders nam vóór 1848 het rijk de
kosten van universiteiten en enkele andere instellingen van hoger onderwijs
voor zijn rekening, terwijl de bekostiging van het verdere onderwijs voor het
grootste deel voor rekening van de gemeenten kwam; aan de kosten van het
huisonderwijs door inwonende of rondreizende docenten werd door de over-
heid nooit bijgedragen. De erkenning van de vrijheid van onderwijs en het
ontstaan van een bijzonder onderwijs naast het openbare bracht in de geschil-
derde situatie aanvankelijk weinig verandering: de verschillende overheden
toonden zich niet of slechts zelden' bereid om aan de kosten van het bijzon-
der onderwijs bij te dragen.
Uitzonderingen daargelaten kwamen de kosten van het bijzonder onderwijs
aanvankelijk dan ook geheel voor rekening van natuurlijke of rechtspersonen.
De stichting en instandhouding van bijzondere scholen was afhankelijk van
de steun van de bevolking. Als gevolg daarvan kon van de in 1848 verkregen
vrijheid van onderwijs niet direct een zeer ruim gebruik worden gemaakt;
materieel was de mogelijkheid tot het ontplooien van bijzonder onderwijs
beperkt. De roep om financiële steun van de overheid werd daarom steeds
sterker. Het motief om financiële steun van de overheid te vragen was echter
niet, dat, nu de grondwetgever de vrijheid van onderwijs had erkend, de be-
kostiging daarvan het logisch gevolg zou moeten zijn teneinde de materiële
vrijheid van onderwijs te verzekeren; een dergelijk betoog zou ook hebben
moeten stranden, omdat het onderwijsartikel het bijzonder onderwijs niet
een positieve aanspraak op overheidssteun verschafte. De grondrechten geven
de burger in het algemeen slechts een aanspraak op de overheid om zich te
onthouden van inmenging; zo ook in het geval van het klassieke grondrecht
van de vrijheid van onderwijs.'^
Het redelijke argument om bij de overheid om financiële steun voor het
bijzonder onderwijs aan te kloppen was echter, dat zonder steun een rechts-
ongelijkheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs zou ontstaan. Aan de
1. Zie Langedijk, blzz. 55 en 149.
2. Zie par. 1.5.
95
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's