De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 167
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
bijzondere instellingen als de Tweede Kamer zich ingenomen met de opzet
van het wetsontwerp. Wel werd tijdens de Kamerbehandeling de vraag gesteld
of het voorgestelde bekostigingsstelsel niet een al te preventief karakter had;
het ging hier echter om een nuanceverschil.^''*
Veel aandacht kreeg de taakverdeling. Minister Veringa merkte in de
Tweede Kamer op, dat indien het streven naar een taakverdeling zijn grond-
slag zou vinden in financiële overwegingen de bijzondere instellingen vrij
zouden zijn om studierichtingen, ten aanzien waarvan door de overheid een
taakverdeling zou worden nagestreefd, ten eigen laste in stand te houden; die
vrijheid zouden deze instellingen niet hebben, indien het streven naar een
taakverdehng zou zijn ingegeven door de omstandigheid, 'dat er landelijk
bezien een tekort aan mankracht voor de personele uitrusting bestaat'.^''''
Deze uitspraak van de minister miskent enerzijds de principiële vrijheid van
de bijzondere instellingen om bepaalde activiteiten te ontplooien en strijdt
anderzijds met de in de werkgroep-Piekaar door de bijzondere instellingen
afgelegde verklaring, dat 'al is er in de rechtssfeer een wezenlijk verschil
tussen de bijzondere en de openbare universiteiten, in de beleidssfeer zijn de
bijzondere universiteiten bereid samen te werken'.^'*^ De opmerking van de
minister houdt dan ook een subsidievoorwaarde in, die niet betrekking heeft
op de deugdelijkheid van het gesubsidieerde onderwijs noch een comptabel
karakter heeft en zich bovendien geheel buiten de sfeer van de bekostiging
afspeelt. De opmerking van de minister staat derhalve met de vrijheid van
onderwijs op gespannen voet.
Na de aanvaarding door de Tweede Kamer^**' haakte in de Eerste Kamer
ook senator De Rijk^^ aan bij de voorgestelde bepaling, dat ten aanzien van
de taakverdehng rekening moest worden gehouden met de eigen aard van de
bijzondere instellingen. Hij vroeg zich af hoe het onderscheid tussen open-
bare en bijzondere instellingen bij een taakverdeling tot uitdrukking zou
moeten komen. In hoeverre zouden de bijzondere universiteiten en hoge-
scholen zich op een bijzondere status mogen beroepen om aan een taakver-
deling te ontkomen? Zelf maakte de senator onderscheid tussen de bijzon-
dere status, waarmee hij vooral het privaatrechtelijke karakter van deze in-
stelHngen bedoelde, en de bijzondere aard, waarmee hij de ideëele grondslag
bedoelde. 'Wanneer de bijzondere instellingen zich ook in de huidige tijd als
bijzondere instellingen willen waarmaken, dan kan dit slechts gebeuren in de
mate, waarin zij erin slagen, die ideëele motivatie te reahseren in de gestalte
van de eigen universiteit of hogeschool'. Op grond van dit betoog kwam hij
346. De minister achtte 'een uitsluitend repressief toezicht (. . .) zeker niet voldoende';
volkomen terecht overigens.
347. Zie Handelingen II 1969-1970, blzz. 4061-4070, 4124-4134 en 4159-4168;
vgl. ook preadvies mr. J.M. Kan aan de Academische Raad.
348. Zie par. III.7.3., blz. 151.
349. Tijdens de behandeUng van het ontwerp door de Tweede Kamer werden verschil-
lende amendementen ingediend en overgenomen of aanvaard. Een voorstel om het vast te
stellen rechtspositiebesluit-WO ook op de bijzondere instellingen van toepassing te ver-
klaren wees de minister van de hand, omdat hij 'uniformiteit ter zake van het personeels-
beleid mogeUjk noch gewenst achtte'.
350. Handelingen I 1970-1971, blzz. 10-15 en 19-21.
155
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's