De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 73
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Samengevat is onze conclusie deze. Naast speciale restricties van de grond-
rechten, die een dwingend karakter hebben, zijn er speciale restricties met
een vrijwillig en voorwaardelijk karakter. De burger kan zich vrijwillig jegens
de overheid verplichten tot het opgeven van een deel zijner grondwettelijke
vrijheden, van zijn grondrechten onder voorwaarde echter, dat daar een
tegenprestatie*^ van de overheid tegenover staat. De vrijwillige beperking van ;
de grondrechten dient evenredig te zijn met en in een duidelijk verband te •
staan tot de tegenprestatie van de overheid. Ook overigens kan de uitoefening
van de grondrechten al gebeurt die met instemming van de burger niet onge-
hmiteerd worden beperkt.
II.3.3. De wet-Kuyper getoetst aan art. 194 van de Grondwet 1848
De wet-Kuyper opende, zoals gezegd, de mogelijkheid van aanwijzing van bij-
zondere universiteiten. Aanwijzing kon uitsluitend plaats vinden op verzoek
van de rechtspersoon, waarvan de bijzondere universiteit uitging; in een zo-
danig verzoek ligt de vrijwilligheid van de aanvaarding van aan de aanwijzing
gepaarde restricties van de onderwijsvrijheid besloten. De wet-Kuyper schreef
die restricties niet dwingend voor; de aan te wijzen rechtspersoon ging die
beperkingen zelf aan. Tegenover deze beperkingen stond als tegenprestatie
van de overheid de toekenning van de effectus civilis.
Het scharnier in de relatie tussen de vrijwillig aanvaarde beperking van de
vrijheid van onderwijs en de toekenning van de effectus civilis was de kwali-
teit van het onderwijs van de aan te wijzen bijzondere universiteiten. Alleen
deugdelijke waarborgen voor de kwaliteit van dit onderwijs konden de aan-
wijzing rechtvaardigen. Aan dit criterium - is de kwaliteit van het onderwijs
voldoende? — moeten dan ook de in 1905 door de wetgever geformuleerde
beperkingen van de vrijheid van onderwijs worden getoetst. De belangrijkste
voorwaarden voor aanwijzing waren:
1. Een bijzondere universiteit moest onder toezicht staan van een college
van curatoren van drie of vijf leden. Dit voorschrift vormde een beperking
van de tot dan toe volledige vrijheid van inrichting van het bestuur;'* deze
beperking was echter in zoverre een waarborg voor de kwaliteit van het
onderwijs, dat de Staten-Generaal een dergelijk college tot het houden van
toezicht beter in staat achtten dan een daartoe niet-gekwahficeerd en op
grond van geheel andere overwegingen samengesteld bestuur van de rechts-
persoon, waarvan een bijzondere universiteit uitging. Impliciet lag een erken-
ning van dit beginsel besloten in de statuten van de Vereniging voor Hoger
Onderwijs op Gereformeerde Grondslag, waarin al sedert 1878 de instelling
van dit college was voorzien. Het bestaan van een college van curatoren werd
dus algemeen aanvaard als een waarborg voor de kwaliteit van het onderwijs.
Niet valt echter in te zien, dat ook het voorschrift, dat dit college slechts drie
of vijf leden mocht tellen, een waarborg voor de kwaliteit van het onderwijs
95. Vgl. par. III.8.2., waar in andere zin van een tegenprestatie sprake is,
96. Zie hiervoor blzz. 51 en 52.
63
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's