Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 208

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 208

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

wijzing in, dat bij het opstellen daarvan in de eerste plaats aan natuurlijke

personen is gedacht. Ook de wetgever heeft bij de uitwerking van de grond-

wettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs niet primair het oog op in-

dividuele personen gehad. Dit komt ook in de wet WO tot uitdrukking.

Zowel de HO-wet voorheen^" als de wet WO heeft aan individuele personen

steeds de mogelijkheid gegeven om in vrijheid wetenschappelijk onderwijs te

geven. Daarbij valt op, dat terwijl de Grondwet spreekt van de 'vrijheid tot

het geven van onderwijs', de wetgeving op het wetenschappelijk onderwijs de

'vrijheid om instellingen van wetenschappelijk onderwijs te stichten'

erkent.^^ De school of de instelling van wetenschappelijk onderwijs is terecht

steeds gezien als het organisatorisch kader, waarbinnen onderwijs pleegt te

worden gegeven en waar aldus de vrijheid van onderwijs tot haar recht kan

komen. Hoewel de wetgever aan ieder individu de mogelijkheid heeft ver-

schaft om bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs te stichten,

heeft de wetgever de ontplooiingskansen van bijzondere instelHngen van

wetenschappelijk onderwijs, die niet door individuele personen, maar door

rechtspersonen zijn gesticht en worden beheerd, aanzienlijk ruimer gesteld:

alleen bijzondere instelhngen, die uitgaan van rechtspersonen met volledige

rechtsbevoegdheid,*^ kunnen voor aanwijzing, erkenning en bekostiging in

aanmerking komen. De wetgever heeft daartoe het zeer valide argument ge-

hanteerd, dat rechtspersonen in het algemeen een grotere continuïteit en

financiële draagkracht kunnen waarborgen dan individuele personen; met

name de continuïteit van bijzondere instellingen — sedert 1948 heeft de

wetgever door middel van de wet-Gielen de financiële risico's van een deel

van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs aanzienlijk beperkt - vormt

mede de grondslag voor haar levensvatbaarheid en derhalve een rechtvaardi-

ging voor haar eventuele aanwijzing, erkenning of bekostiging.

De vraag rijst nu, wie in de zin van de Grondwet wetenschappelijk onder-

wijs geeft en uit dien hoofde een beroep op het grondrecht kan doen: is dit

de stichter/beheerder van de bijzondere instelling of de bijzondere instelling

zelf of de docent, die binnen de bijzondere instelling in de meest letterlijke

zin onderwijs geeft? Als gevolg van het feit, dat de rechtspersonen of het be-

stuur daarvan als regel aan het hoofd van de bijzondere instelling staat en

deze bestuurt,*^ kan de vraagstelhng in zoverre worden vereenvoudigd, dat in

de praktijk alleen de rechtspersoon en de individuele docenten een beroep op

de vrijheid van onderwijs zouden kunnen doen.

Gesteld nu, dat de docenten binnen een bijzondere instelling in het genot

van de vrijheid van onderwijs zouden zijn, dan zou dit betekenen, dat deze

docenten die vrijheid niet tegenover de overheid, waarmee zij immers voor

wat betreft het geven van onderwijs geen enkele rechtstreekse relatie hebben,

maar tegenover de rechtspersoon, waarvan de bijzondere instelhng, waar zij

doceren, uitgaat, geldend zouden moeten kunnen maken. De rechtspersoon

schept door het stichten van een bijzondere school of instelling van weten-

schappelijk onderwijs namelijk het organisatorische kader, waarbinnen de

60. Art. 149 HO-wet.

61. Artt. 144-145 wet WO.

62. Vgl. art. 119 wet WO.

63. Zie par. III.9.7.; vgl. art. 93 wet WO.

196

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 208

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's