De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 42
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen examens.^"' Alle examens
zouden worden afgenomen door de faculteiten aan de rijksuniversiteiten.^"*
Door aan de academische graden de effectus civilis te verbinden handhaaf-
de de wetgever de opleidingsbevoegdheid van de universiteiten en bevestigde
zij aldus haar verantwoordelijkheid voor een gedegen uitoefening van ambten
en bedieningen. Alleen een goede wetenschappelijke* opleiding kan een ge-
degen uitoefening van ambten en bedieningen waarborgen. Evenals het Orga-
niek Besluit voordien bevatte de HO-wet een groot aantal bepalingen en
voorschriften, die allen tot doel hadden om een kwalitatief hoogstaande
wetenschappelijke opleiding op een voor alle rijksuniversiteiten gelijkwaardig
niveau te waarborgen. Die bepalingen hadden betrekking op de inrichting van
het onderwijs,^"^ op de benoeming van de docenten,^"* en op het beheer van
en het toezicht op de rijksuniversiteiten.^"^
Het toezicht op de rijksuniversiteiten zou als vanouds worden uitgeoefend
door de colleges van curatoren, waarvan de leden werden benoemd door de
Kroon. Curatoren hadden te waken voor de getrouwe naleving der wet en
van alle krachtens de wet uitgevaardigde verordeningen.'^^" Deze colleges
waren voorts belast met het huishoudelijk bestuur van de rijksuniversiteiten,
terwijl daarnaast de gezamenlijke hoogleraren, tezamen vormende de senaat
met de uit zijn midden gekozen rector magnificus,^^^ werd belast met het
academisch bestuur.^'^
Met behulp van deze bepalingen en het recht van benoeming en ontslag der
docenten kon de overheid een zodanig indirect toezicht op de rijksuniversi-
teiten uitoefenen, dat de kwaliteit van het openbaar hoger onderwijs opti-
maal was gewaarborgd. Waartoe al deze waarborgen?
.7.3.2. De effectus civilis
Uit het voorgaande is gebleken, dat de overheid - in voorkomende gevallen
de wetgever^'^ — een academische opleiding eist voor de benoeming in een
aantal ambten in het kader van de publieke dienst. Aanvankelijk werd deze
eis uitsluitend gesteld ten aanzien van openbare functies. De strekking van
deze handelwijze is duidelijk genoeg: om een hoge kwaliteit van de staatszorg
en het staatsbestuur te kunnen waarborgen zijn alleen zij, die goed zijn opge-
leid, goed genoeg om in het overheidsapparaat te worden opgenomen. De
kwaüteit van de opleiding bepaalt kortom de kwaliteit van het staatsbestuur.
205. Deze AMvB, beter bekend als het Academisch Statuut, is tot stand gekomen bij
KB van 27 april 1877, Stb. 87; zie mr. P.F. Hubrecht: 'De onderwijswetten in Nederland
en hare uitvoering', eerste afdeling: 'Hooger Onderwijs', 1880, deel I en II blzz. 241—288,
resp. 1—72.
206. Art. 87 HO-wet.
207. Artt. 42 e.v. HO-wet.
208. Artt. 51 e.v. HO-wet legden de benoeming van de docenten in handen van de
Kroon en boden ook de mogelijkheid van ontslag.
209. Artt. 68 e.v. HO-wet.
210. Art. 71 HO-wet.
211. Art. 74 HO-wet.
212. Zie Arriëns, hoofdstukken III en IV.
213. Zie onder meer de Wet op de Rechterlijke Organisatie met betrekking tot de be-
noeming van rechters.
32
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's