De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 172
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
lijk onderwijs. ^^^ Tussen de zwaarte van de subsidievoorwaarden en de tegen-
prestatie van de overheid bestaat een duidelijke evenredigheid; die evenredig-
heid blijkt met name daaruit, dat de subsidievoorwaarden telkens zijn ver-
zwaard naarmate het subsidiepercentage werd verhoogd van aanvankelijk
minimaal 65%^*^ naar minimaal 70%^^"^ en vervolgens naar 95%^*' om uit-
eindelijk via 98,5%^^^ uit te komen op 100%.^Ö''
Het verband tussen de bekostiging en de daaraan door de overheid ver-
bonden voorwaarden is tweeledig. We hebben immers met twee stellen voor-
waarden te maken. De eisen van deugdelijkheid beogen te waarborgen, dat de
overheid alleen een goed product bekostigt. Dit ligt met name voor de hand,
indien men met Wolff aanneemt, dat de subsidiëring tot doel heeft om doel-
stellingen te verwezenlijken, 'die im Öffentlichen Interesse liegen';^*^ het ligt
uiteraard in het algemeen belang om overheidsgelden alleen aan deugdelijke
doeleinden, c.q. deugdelijk bijzonder onderwijs te spenderen. De functionele
relatie tussen de bekostiging en de comptabele voorwaarden is anders gericht.
Vanuit het standpunt van de overheid beogen deze voorwaarden een opti-
male besteding van de subsidie, gepaard aan het streven om de omvang van
de subsidiebedragen onder de directe invloed van de overheid te houden, te
waarborgen. Deze voorwaarden beperken in zoverre de vrijheid van het bij-
zonder wetenschappelijk onderwijs niet, dat zij steeds ruimte laten om ten
eigen laste van de bijzondere instellingen die activiteiten te ontplooien, die
niet voor bekostiging door de overheid in aanmerking komen.
III.8.2. De vrijwillige aanvaarding
Aan het slot van het tweede hoofdstuk werd de conclusie getrokken, dat af-
gezien van de eerste aanwijzing van een bijzondere universiteit of hogeschool
de vrijwillige aanvaarding van nieuwe en aanvullende voorwaarden voor aan-
wijzing of erkenning in het algemeen weinig expliciet blijkt.^*' Bij de tot-
standkoming van de wet-Gielen en de daaropvolgende wetswijzigingen en
-aanpassingen zijn de bijzondere instellingen daarentegen wel steeds uitvoerig
geraadpleegd — een enkel geval daargelaten^ — en hebben zij steeds van hun
instemming of afkeuring van nieuwe bekostigingsvoorwaarden blijk kunnen
362. Vgl. Wolff, blz. 258. Ook hij spreekt van tegenprestatie, 'Gegenleistung', echter in
de eerste plaats om aan te geven, dat tegenover de prestatie van de subsidiëring een tegen-
prestatie behoort te staan in die zin, dat 'der Subventionierte öffentliche Aufgaben über-
nimmt (. . .) oder dass er ein öffentliches Bedürfnis an seiner Leistung erfüUt'. Zie voorts
V. Götz: 'Recht der Wirtschaftssubventionen', 1966, blzz. 45 e.v.
363. Zie par. III.5.1.
364. Zie par. III.5.4.
365. Zie par. III.5.5.
366. Zie par. III.7.2.
367. Zie par. III.7.4.
368. T.a.p. blz. 259.
369. Zie par. II.8.
370. Bij de totstandkoming van de wet-Gielen werd de NEH niet geconsulteerd; zie
blz. 120, noot 156.
160
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's