Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 160

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 160

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

lingen'"^ — om te komen tot een tijdelijke verhoging van het subsidiepercen-

tage tot 98,5.^** Als gevolg van een verzuim van minister Bot^' kostte het

zijn ambtsopvolger Diepenhorst nog geruime tijd om een begrotingsvoorstel

tot tijdelijke verhoging van de bijdrage uit 's rijks kas aan de bijzondere uni-

versiteiten en hogescholen ingediend en door de Staten-Generaal aanvaard te

krijgen.-"'*

III.7.3. De voorbereiding van de 100%-wet

Voorjaar 1966 - kort vóór de tijdelijke verhoging van het subsidiepercentage

een feit werd — startte de tweede ronde in het overleg tussen de overheid en

de bijzondere instellingen. Ditmaal hadden de bijzondere instellingen zich

terdege geprepareerd; bij de aanvang van het overleg stond voor hen vrijwel

vast hoeveel zij de overheid zouden willen toegeven. Eensgezind streefden zij

nu naar 100% subsidie,^"'' maar dan wel met behoud van een 'acceptabele

vrijheid voor de vier bijzondere instellingen'.^"* Een uit 1963 daterend voor-

steI-Bot^' wezen zij van de hand; dit voorstel hield in, dat aan de bijzondere

universiteiten en hogescholen individueel de keus zou worden gelaten tussen

een stelsel van repressief toezicht op de uitgaven bij een subsidiepercentage

van 98,5 en een stelsel van preventief toezicht bij 100% subsidie.

De ratio van het voorstel-Bot was, dat zelfs bij een subsidie van 98,5% het

bijeenbrengen van de 1,5% eigen bijdrage de bijzondere instellingen nog

303. Op 11 februari 1965 wilde minister Bot niet verder gaan dan 98%. Toen de

bijzondere instellingen dreigden zich te zullen beroepen op het Akkoord van Wassenaar

zwichtte de minister en stemde in met een bekostigingspercentage van 98,5.

304. Na daarover overeenstemming te hebben bereikt met zijn ambtgenoot van Finan-

ciën; het op 27 februari 1965 gevallen kabinet-Marijnen beschouwde de tijdelijke subsidie-

verhoging als een lopende zaak, die door het demissionaire kabinet kon worden afgedaan.

305. Verzuimd was om in de begrotingen voor 1964 en 1965 voorzieningen te treffen,

die een subsidieverhoging met terugwerkende kracht tot 1 januari 1964 mogelijk zouden

maken.

306. Als gevolg van dit uitstel waren de bijzondere instellingen alle gedwongen om een

belangrijk deel van hun vermogen te liquideren om zodoende de ontstane tekorten te

kunnen dekken; zie de brieven van de KU dd. 15juli 1965,no. 77397; van de VU dd. 14

juli 1965; van de NEH dd. 19 juU 1965, no. 2/9865; van de KHT dd. 29 juU 1965, no.

Q.1387. Intussen circuleerde bij de besturende colleges van de VU al een notitie van de

algemeen beheerder, waarin werd gesteld, dat de VU weldra niet meer zou kunnen ont-

komen aan volledige bekostiging; notitie dd. 10 februari 1965.

Pas in oktober 1965 volgde de indiening van een wetsontwerp bij de Staten-Generaal

met het voorstel om het subsidiepercentage over de jaren 1964—1966 op 98,5 te brengen;

bij nota van wijziging werd aan deze reeks later ook het jaar 1967 toegevoegd. De Tweede

Kamer toonde zich bij de behandeling teleurgesteld, dat de Universiteit van Amsterdam

niet bij deze interimregeling was betrokken. Na een toezegging van de minister om met de

gemeente Amsterdam in overleg te treden werd een PvdA-amendement tot aanvulling van

het wetsontwerp ingetrokken. Zie Bijlagen bij de Handehngen II 1965—1966, no. 8356;

HandeUngen II 1965-1966, blzz. 1699-1707; Wet van 15 juni 1966, Stb. 266.

307. Na lange aarzeling en veelvuldig beraad besloten als laatsten ook de besturende

colleges van de VU zich achter dit standpunt te scharen; de werkgroep-Piekaar vergaderde

op 9 juni 1966 weer.

308. Zie verslag bespreking vier instellingen gezamenlijk dd. 10 november 1965.

309. Zie HandeHngen II 1963-1964, blzz. 741-765.

148

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 160

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's