Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 161

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 161

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

moeite genoeg zou kosten, zodat de uitgaven vanzelf laag zouden blijven. De

eigen bijdrage werd beschouwd als een voldoende rem op de uitgaven,

waarnaast een preventief overheidstoezicht op de uitgaven — in de vorm van

een begrotingsvaststelling — niet nodig werd geacht. Bij een volledige bekosti-

ging daarentegen zou de natuurlijke rem op de uitgaven komen te vervallen;

een eigen bijdrage zou dan ontbreken en de bijzondere instellingen zouden

geen enkel direct belang meer hebben bij het laag houden van de uitgaven. In

dat geval zou de overheid zelf de nodige maatregelen moeten treffen om de

uitgaven voor het bijzonder wetenschappelijk onderwijs binnen zekere

marges te houden; daartoe werd een preventief toezicht op de uitgaven nood-

zakelijk geacht. Een dergelijk preventief toezicht werd door de bijzondere

instellingen steeds gezien als een beperking van de vrijheid,^' omdat bij deze

vorm van toezicht een veel groter aantal (bestuurs)handelingen zou zijn

onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de overheid. Beslissingen,

die bij een repressief toezicht op eigen risico geheel zelfstandig genomen

konden worden, zouden bij een preventief stelsel afhankelijk worden van de

goedkeurende overheid.

Terwijl de opstelling van de overheid bij het voorstel-Bot onder meer in

overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel — hoe hoger de sub-

sidie, hoe zwaarder de voorwaarden^'^ — rijst wel de vraag of de bijzondere

instellingen er wel goed aan hebben gedaan het voorstel categorisch af te

wijzen. Daarmee hebben zij zichzelf immers blijvend de keuze tussen een

repressief en een preventief toezicht van de overheid op de uitgaven ont-

zegd.312

De bijzondere instellingen waren bij de aanvang van de tweede fase in het

overleg bereid om in het kader van een 100%-subsidieregeUng te komen tot

een codificatie van het gentlemen's agreement uit 1965. Mocht deze con-

cessie onvoldoende blijken dan waren zij ook nog wel bereid om te over-

leggen over de geleidelijke invoering van een preventief stelsel. Het preventief

toezicht zou zich dan tot de uitgaven dienen te beperken; voor het overige

zou de vrijheid van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs geen onder-

handehngsobject mogen vormen en volledig gehandhaafd dienen te blijven.^'^

Verder zou 'zo enigszins mogelijk moet(en) worden voorkomen, dat de be-

standsbepaHng^''' komt te vervallen'.^'' Zij kwamen gezamenlijk tot de slot-

310. Ziepar. III.6.2.

311.Ziepar. III.3.3.

312. In 1965 dreigde de NEH als bijzondere hogeschool uit de boot te vallen. In dat jaar

werd het plan gelanceerd de NEH met een te stichten zevende medische faculteit tot een

rijksuniversiteit te laten versmelten. Die plannen kwamen echter niet snel van de grond.

Zie nota 'Integratie NEH-Medische Faculteit' van mr. B.J. de Boer dd. 18 november 1965;

zie voorts verslag overleg vier bijzondere instellingen dd. 10 november 1965.

313. Zie het verslag van het overleg vier bijzondere insteUmgen ter voorbereiding van de

tweede ronde in het overleg over de financiële gelijkstelling dd. 17 december 1965.

314. Bedoeld werd art. 111 wet WO: 'Het Rijk verleent een bijdrage (. . .) in de netto-

kosten voor zover de universiteit of hogeschool daarbij niet uitgaat boven hetgeen naar de

maatstaf van de hier te lande heersende opvatting tot uitrusting en bestand van een uni-

versiteit of economische hogeschool behoort'.

315. Aldus de gezamenlijke VU/KU-nota 'Subsidie-wetgeving', februari 1966.

149

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 161

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's