De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 213
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
doelbewust m stand gehouden. Het staat zowel de overheid als de bijzondere
instellingen vrij om deze monopolies te doorbreken.
De wet WO draagt de regering op om te zorgen voor gelijkwaardige ont-
wikkelingsmogelijkheden voor de uit 's Rijks kas bekostigde universiteiten en
hogescholen. Rekening houdend met het onderscheid tussen de openbare en
de drie bijzondere instellingen worden daarbij de vereisten van een redelijke
taakverdeling in acht genomen. ^^ Het betreft hier een zeer moeilijk punt.
Enerzijds is daarover opgemerkt, dat bij een toenemende specialisatie binnen
het wetenschappelijk onderwijs het onmogelijk wordt om aan elke instelling
van wetenschappelijk onderwijs volledigheid te waarborgen; ter andere zijde
is ook de overheid erkend, dat, wil 'de door het beginsel van de gelijkwaar-
dige ontwikkelingsmogelijkheden beoogde materiële vrijheid ook van het
wetenschappelijk onderwijs haar effect hebben, dan dient zulk een instelling
in zoverre dit redelijkerwijze mogelijk is open te staan voor allen die oplei-
ding' op de eigen grondslag van een bijzondere instelling begeren. 'Meer be-
paaldelijk geldt dit, wanneer met betrekking tot een godsdienstige grondslag
slechts één wetenschappelijke instelling aanwezig is'.^^
De erkende en uit de openbare kas bekostigde bijzondere universiteiten en
hogescholen hebben dus in beginsel een zekere aanspraak op volledigheid ten
laste van 's Rijks kas. De overheid kan deze aanspraken echter ten dele teniet
doen door te stellen, dat een taakverdeling in redelijkheid vereist is. Of een
taakverdeling inderdaad redelijk is en wat deze moet inhouden staat in laat-
ste instantie ter beoordeling van de Kroon, de Raad van State gehoord. In-
dien al dan niet na het instellen van een beroep op de Kroon een taakver-
deling niet vereist blijkt, dan behouden de bijzondere instellingen hun aan-
spraken.
Ook indien een taakverdeling wel geboden is, dan behoeft dat nog niet te
betekenen, dat de overheid de bijzondere instellingen op grond daarvan van
het stichten van bepaalde faculteiten of studierichtingen ten laste van 's Rijks
kas zal mogen afhouden. Bij een taakverdeling behoort immers rekening te
worden gehouden met de eigen aard van de bijzondere instellingen. Zij be-
horen derhalve ook dan in staat te worden gesteld tot het treffen van die
voorzieningen en de uitoefening van die taken, die haar eigen aard redelijker-
wijze meebrengt. Of dit laatste het geval is, staat wederom ter beoordeling
van de Kroon. Dit betekent, dat wanneer bijvoorbeeld de KU de oprichting
van een faculteit der economische wetenschappen, die voldoet aan de in het
Academisch Statuut gestelde voorwaarden, vanuit de eigen aard kan recht-
vaardigen de overheid daaraan haar medewerking niet mag onthouden.
Tot zover de taakverdeling met betrekking tot bestaande studienchtingen.
Een andere situatie doet zich voor bij de ontwikkeling van geheel nieuwe
vormen van wetenschappelijk onderwijs. Uit de aard der zaak zullen derge-
lijke onderwijsvormen niet onmiddellijk bij elke afzonderlijke universiteit of
hogeschool ingang behoeven te vinden. Veelvuldig gaat het initiatief tot het
ontwikkelen van dergelijke nieuwe onderwijsvormen uit van de instellingen
84. Artt. 16Hd 1 j 96ter en 110 wet WO; vgl. par. III.7.4.1.
85. Bijlagen bij de Handelingen II 1968-1969, no. 10626 nr. 3.
201
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's