De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 85
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
deze instellingen zelf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onder-
wijs; niettemin handhaafden achtereenvolgens het voorontwerp en de wet de
mogelijkheid van intrekking van de erkenning van een bijzondere, in de wet
aangeduide universiteit of hogeschool. ^^^
Zowel formeel als materieel werd de intrekking van de erkenning merk-
waardig geregeld. Formeel, omdat het de wetgever was, die de bijzondere in-
stellingen wettelijk zou aanduiden, terwijl aan de minister de bevoegdheid
werd verleend om de erkenning zonodig ongedaan te maken en in te trekken.
Als gevolg daarvan zou de situatie kunnen ontstaan, dat de erkenning van de
in de wet genoemde bijzondere instellingen door de Kroon werd ingetrokken
zonder dat dit onmiddellijk uit de tekst van de wet bleek. Die constructie is
te meer weinig fraai, omdat in de wet niet werd voorzien, dat zo spoedig
mogelijk na de intrekking van de aanwijzing een voorstel tot wetswijziging bij
de Staten-Generaal zou worden ingediend teneinde de gerezen discrepantie
tussen wet en werkelijkheid op te heffen. Materieel werd de intrekking van
de erkenning al even onvolledig geregeld; men vraagt zich immers af hoe de
minister en in laatste instantie de Kroon met name ooit gemotiveerd tot in-
trekking van de erkenning kunnen overgaan wanneer het ten enen male ont-
breekt aan middelen of maatstaven om vast te stellen of de kwaliteit van het
onderwijs in gevaar is of komt.
Het ontwerp-Cals hield een impliciete erkenning in, dat ook in de periode
1905-1960 de commissie van toezicht nooit echt toezicht op de kwaliteit
van het bijzonder hoger onderwijs had kunnen houden. Minister Cals ba-
seerde zijn wetsvoorstel op de gedachte, dat de bijzondere instellingen het in
hen gestelde vertrouwen terzake van de handhaving van de kwaliteit van hun
onderwijs ook zonder commissie van toezicht niet zouden beschamen. Het is
de vraag of een dergelijk vertrouwen de wetgever wel past. Allereerst, omdat
vertrouwen wel degelijk geschonden kan worden en de wetgever dit met vol-
doende realiteitszin behoort te onderkennen; erkend zij intussen, dat ook
dan de wetgever blijft zitten met het probleem, dat in wezen onoplosbaar is,
hoe dergelijke schendingen van vertrouwen effectief en objectief kunnen
worden vastgesteld. In de tweede plaats werd in het voorontwerp en later
door de wetgever op de schouders van de bijzondere instellingen een taak
gelegd, die bij de overheid behoort. Wat de tegenover de overheid te hand-
haven voorwaarden voor erkenning zijn behoort niet door de bijzondere in-
stellingen, particulieren derhalve, maar vanwege de overheid zelf te worden
bepaald. Legt men die verantwoordelijkheid bij de bijzondere instellingen
dan moeten dezen gaan beslissen of het gebruik, dat zij van hun vrijheid wen-
sen te maken wel met de voorwaarden voor erkenning en de openbare orde
strookt. De bijzondere instellingen kregen aldus naast publiekrechtelijke be-
voegdheden — i.e. de effectus civilis — ook een aantal publiekrechtelijke ver-
antwoordelijkheden door de wetgever-opgedrongen; dit bevestigde de vrees
van de bijzondere instellingen, dat zij gelijkgeschakeld zouden worden met
167. Art. 96, zoals het ook thans nog luidt, bepaalde, dat de minister een bijzondere
instelling kan waarschuwen, dat zij niet langer voldoet aan de voorwaarden voor erken-
ning en bekostiging. Wordt aan een dergelijke waarschuwing niet binnen 90 dagen gevolg
gegeven dan kan de erkenning door de Kroon worden ingetrokken, de Raad van State
gehoord.
75
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's