De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 122
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
telijking' mag leiden. Bij een 'verstatelijking' heeft "de su"bsidie immers geen
zin meer en ligt het voor de hand, dat de 'staat zelf de bewuste activiteiten
ter hand neemt. Aan de aard van de subsidie is inhaerent dat er een zekere
evenwaardigheid blijft tussen de subsidiërende overheid en de gesubsidieerde
in die zin, dat deze laatste zeggenschap houdt over de wijze, waarop de acti-
viteit wordt uitgeoefend. Helaas verkeren vrijwel alle gesubsidieerden in een
situatie, dat weigeren van subsidie moeilijk of zelfs onmogelijk is geworden;
het gevaar ontstaat, dat 'die Verwaltung mit Hilfe der ihr durch die Legisla-
tive zugewiesenen Steuermittel eine unangemessene Herrschaft über die Sub-
ventionierten erlangt'.'"*
III.3.3. Rechtsbescherming van de gesubsidieerde
De overheid geniet dus geen onbeperkte bevoegdheid tot het stellen van sub-
sidievoorwaarden. In verband met de bekostiging van het bijzonder onderwijs
heeft de grondwetgever de bevoegdheid van de overheid in deze beperkt door
uit te spreken, dat ook de eisen van deugdelijkheid de vrijheid van richting
niet mogen aantasten. Maar ook in gevallen, waarin aan de bevoegdheid van
de overheid tot het stellen van subsidievoorwaarden niet door de grondwet-
gever paal en perk is gesteld, behoort de overheid zich terughoudend op te
stellen. Hoever de bevoegdheid van de overheid strekt is afhankelijk van tal
van omstandigheden; Henze meent, dat deze bevoegdheid van de overheid
gebonden is aan 'der Grundsatz der Zweckgebundenheit, das Gebot der Ver-
haltnismassigkeit und das Verbot des détournement de pouvoir'.'*''' Van
Krefeld is het daar niet mee eens; hij meent, dat uit de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur alleen niet valt af te leiden welke voorwaarden in een
concreet geval aan de toekenning van een subsidie mogen, moeten of juist
niet mogen worden verbonden.''^^ Inderdaad lijken de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur op zich niet een voldoende waarborg te leveren voor
het behoud van het juiste karakter der betrekkingen tussen subsidiërende
overheid en gesubsidieerde; wel bieden zij daarvóór belangrijke, niet te ver-
onachtzamen aanknopingspunten. Zeker nu de wet AROB sedert 1976 een
bescheiden begin van rechtsbescherming tegen misbruik van de bevoegdheid
tot het stellen van subsidievoorwaarden biedt*"', heeft het zin dit voorop te
stellen. Indien de toetsing hier begint en tevens het eigen karakter van de
subsidieverhouding in het oog wordt gehouden, dan is een belangrijke stap
gedaan in de richting van rechtsbescherming.
106. Henze, biz. 105.
107. T.a.p. hoofdstuk IV, par. V.2.
108. T.a.p.blzz. 144-147.
109. Wet Administratieve Rechtspraak Overheidsbeschikkingen van 1 mei 1975, Stb.
284. Deze wet vervangt sedert 1 juli 1976 de wet B.A.B., Stb. 1963, no. 268. Aanvanke-
Ujk lag het in de bedoeling de subsidiebeschikkingen buiten het ontwerp-AROB te
houden; bij amendement is echter de uitsluitingsbepaling uit het ontwerp geschrapt.
Handelingen II 1970-1971, no. 11279; de uitsluitingsbepaling was art. 5 sub k. Vgl. o.a.
prof. mr. J.G. Steenbeek: 'Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen',
1976.
110
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's