De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 222
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
voegde gezag binnen een bijzondere instelling de voorwaarden moeten
scheppen om de doelstelling te realiseren; dit dient onder meer bij de inrich-
ting van het bestuur tot uitdrukking te komen en wel zodanig, dat zij, die
handelen in strijd met het bijzonder karakter, daarvoor ter verantwoording
kunnen worden geroepen en eventueel verwijderd. ^^^ De wettelijke bepa-
Hng,"'' dat de geldelijke positie van een niet op verzoek noch wegens plicht-
verzuim of wangedrag ontslagen of op non-activiteit gesteld hoogleraar of
lector op voldoende wijze moet zijn geregeld, betekent de impliciete erken-
ning door de wetgever, dat verwijdering van hoogleraren en lectoren op
grond van een gedragen in strijd met het bijzonder karakter van de instelling
inderdaad mogelijk is.
IV. 5. De vrijheid van inrichting van het onderwijs
IV.5.1. jDe inrichting van het wetenschappelijk onderwijs
De inrichting van het onderwijs betreft de inhoud van het onderwijs en de
samenstelling van de curricula. De inrichting van het kleuter- en lager onder-
wijs geschiedt volgens een plan: het speelplan, resp. het leerplan; in het ont-
werp van wet op het basisonderwijs is sprake van een schoolwerkplan.^'^ De
betreffende wetten geven nauwgezette richtlijnen voor de organisatie en in-
houd van het onderwijs; zij geven precies aan welke onderwijsvakken op
welke scholen dienen te worden verzorgd. Op dezelfde wijze is bepaald het
minimum aantal lesuren, dat per week moet worden gegeven en het mini-
mum aantal dagen per jaar, waarop onderwijs moet worden genoten.
De wettelijke regeling van de inrichting van het wetenschappelijk onderwijs
is meer globaal van opzet en minder detaillistisch. De wet WO volstaat met
een opsomming van de faculteiten en afdelingen, die een universiteit of hoge-
school kan omvatten; daarnaast worden alleen de te verlenen doctoraten ver-
meld."* Om een verstarring te voorkomen heeft de wetgever de bevoegdheid
om nadere regehngen te treffen met betrekking tot de verschillende studie-
richtingen gedelegeerd aan de Kroon: het Academisch Statuut."'' 'Hoewel in
het algemeen de vakken, waarover een examen moet loopen, in (het) Acade-
misch Statuut zijn voorgeschreven, is de candidaat bij menig examen bevoegd
tot een vrije keuze van vakken, hetzij als bijvakken, hetzij ter vervanging van
aangegeven hoofdvakken, of tot het doen gelden van voorkeur voor een of
meer bepaalde vakken of onderdelen van een hoofdvak'."* Het preciese
onderwijsprogramma wordt per studierichting vastgesteld door de facultei-
113. Voor de studenten gelden hier de gedragsregels, zie artt 42 j 41 lid 2 WUB.
114. Art. 120 sub d wet WO; voorheen art. 186 sub d HO-wet.
115. Bijlagen bij de Handelingen U 1976-1977, no. 14428: zie art. 12.
116. Artt. 17-25 wet WO.
117. Vgl. art. 24 wet WO.
118. Aldus De Ranitz, blz. 91.
210
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's