De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 30
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Grondwet noemde het hberale kamerhd van Goltstein de vrijheid van onder-
wijs 'eene begeeriijke zaak, maar zij behoort eene zoodanige vrijheid te zijn,
welke behoorhjk geregeld is'. Het antirevolutionaire kamerlid Mackay ge-
voelde de behoefte aan vrijheid voor en van allen.'^^ De minister van Justitie,
Donker Curtius, vroeg zich af, 'als de inrigting van het onderwijs geheel aan
de Regering wordt overgelaten, wat wordt er dan van die vrijheid in het
godsdienstige, welke men nu met milde hand heeft toegestaan?'
In eerste termijn aanvaardden beide Kamers der Staten-Generaal^^^ het
wetsontwerp met grote stemmenmeerderheid. De behandeUng van het onder-
wijsartikel door de verenigde vergadering van de beide Kamers der Staten-
Generaal in dubbelen getale betekende een bevestiging van dit standpunt.
Tijdens de openbare behandeling noemde de eerste spreker, de antirevolutio-
nair Van Reede van Oudtshoorn, de vrijheid van onderwijs als één van die
rechten, 'welke den onderdanen tegenover hunnen souverein toekomen,
regten, waarover deze niet vermag te beschikken, regten, welke even heilig
zijn als de oorsprong der souvereiniteit zelve'. Nadat alle sprekers zich voor-
stander van deze vrijheid hadden betoond kon de minister van Justitie met
recht verklaren: 'de verdediging van dit wetsontwerp zal inderdaad als over-
bodig te beschouwen zijn'. Met 108 tegen 5 stemmen werd het ontwerp daar-
op aangenomen, om op 14 oktober 1848 te worden afgekondigd.'^'*
1.5.2. De vrijheid van onderwijs: een klassiek grondrecht
Amper twintig jaren scheiden het moment, waarop voor het eerst de roep om
vrijheid - in het bijzonder ten behoeve van het R,K. theologisch hoger
onderwijs — werd gehoord, van de afkondiging van het nieuwe grondwetsarti-
kel in 1848. Niet in ieders ogen is deze snelle ontwikkeHng van het onder-
wijsartikel — eerst nog zonder waarborg van vrijheid; vervolgens met slechts
de erkenning van de vrijheid van beroep; tenslotte de vrijheid als onderdeel
132. Buijs spreekt hier, wellicht wat anachronistisch van antirevolutionair, t.a.p. blz.
768. In de dubbele Kamer hadden naast Mackay voorts de 'antirevolutionairen' Van
Lynden en Van Reede van Oudtshoorn zitting.
133. In één der afdelingen van de Eerste Kamer werd nog bezwaar gemaakt tegen de
voorgestelde 'geheele vrijstelling van het hooger onderwijs', omdat door 'pseudo magistri'
de jeugd Ucht op een dwaalspoor gebracht zou kunnen worden; Belinfante, 1847—1848
deel II, blz. 629.
134. Stb. 1848, no. 71. Art. 194 van de Grondwet van 1848 luidde tenslotte:
'Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders gods-
dienstige begrippen, door de wet geregeld.
Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs ge-
geven.
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor
zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de be-
kwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers;het een en ander door de wet te regelen.
De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een
uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.'
Vgl. par. III.2.3.
20
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's