De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 150
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
III.6.2.2. Het o n t w e r p
Minister Cals bleek niet ongevoelig voor de kritiek op zijn voorontwerp en
toen hij begin 1960 een ontwerp bij de Tweede Kamer indiende waren daar-
uit de meest omstreden artikelen verdwenen. Voorgesteld werd nu om de
subsidiebedragen voor het bijzonder wetenschappelijk onderwijs als vanouds
uit te keren op grondslag van de werkelijke uitgaven, ongeacht de toestand
van 's lands financiën.^^' Aan de bijzondere instelHngen deelde de minister
terzelfdertijd mede,^" dat hij 'na herhaald overleg in het kabinet' de ge-
wraakte artt. 111 lid 3 en 114 lid 6 (waarin de mogelijkheid was geschapen
om begrotingsposten eventueel buiten de subsidiëring te houden) had ge-
schrapt, maar dat hij nu het beginsel van de 'gelijkwaardige ontwikkehngs-
mogelijkheden'^'^ ook in zijn ontwerp had geïntroduceerd. Bepaald was
namelijk, dat de regering zorg draagt voor de gelijkwaardige ontwikkeHngs-
mogelijkheden van de geheel of ten dele uit de openbare kas bekostigde
universiteiten en hogescholen.^''* Omdat de minister intussen zeer wel besef-
te, dat hij hiermee de bijzondere instelHngen bepaald nog niet geheel was
tegemoet gekomen, deelde hij tevens mee, dat de doortrekking van het
beginsel van de gelijkwaardige ontvwkkeHngsmogelijkheden voor hem aan-
leiding was om een interim-wet tot tijdelijke verhoging van de subsidieper-
centages op te stellen.^''
Toch weerhield dit er de bijzondere insteHingen niet van om nogmaals be-
zwaar te maken tegen het voorgestelde ontwerp.^'* Hun kritiek richtte zich
op het gebruik van de term 'gelijkwaardige ontwikkelingsmogelijkheden' in
relatie tot de zinsnede 'op de voet van het in deze afdeHng bepaalde'.^'''
Daarin zou gelezen kunnen worden, dat het alsnog mogelijk zou zijn om in
afwijking van de letter van de wet toch de subsidiebedragen niet volledig uit
te keren. Zij sloten niet uit, dat de conceptie van de overheid inzake de ont-
wikkeling niet de hunne zou kunnen zijn; in dat geval zou het verschaffen
van gelijkwaardige ontwikkelingsmogelijkheden wel eens kunnen botsen met
de vrijheid van onderwijs. Bovendien beschouwden de bijzondere instelHngen
het beginsel van de gelijkwaardige ontwikkeHngsmogelijkheden als een
tweede norm voor subsidiëring naast de door de commissie-'s Jacob ont-
worpen norm; in deze zin werd het beginsel een overbodige en belastende
doublure geacht. Tenslotte wezen de bijzondere instelHngen er op, dat het in
de betreffende paragrafen van het wetsontwerp bepaalde uitging van de be-
-*
State dd. 13 oktober 1959, no. 19. Dit advies schijnt in dezelfde geest als de argumentatie
van de bijzondere instellingen te zijn geweest.
251. Minister Cals verklaarde later, dat wat behoort tot uitrusting en bestand van een
universiteit of hogeschool mede wordt bepaald door de toestand van 's lands financiën.
Op zich een juist standpunt; Bijlagen bij de Handelingen II 1959-1960, no. 2597, nr. 12.
252. Brief minister OKW dd. 30 januari 1960, HOW 59163, gericht aan de heren
Schouten (VU) c.s. en Beel en Donner.
253. Zie de regeringsverklaring van 23 oktober 1956; vgl. blz. 130.
254. Art. '16 Ud 1 herzien ontwerp.
255. Zie par. in.5.5.
256. Brief van dr. Schouten (VU) c.s. dd. 14 april 1960; zie ook notulen directeuren
VU dd. 23 april 1960, blz. 2911.
257. Art. 16 lid 1 herzien ontwerp.
138
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's