De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 46
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
sprake was van een autonome gemeentelijke bevoegdheid tot het geven van
onderwijs, dan berustte deze bevoegdheid in 1876 niet op art. 194, maar op
art. 140 van de Grondwet van 1848.^^^ De in dit artikel^^^ verleende be-
voegdheid was en is echter beperkt, want op grond daarvan mogen gemeente-
lijke — en zo ook provinciale — verordeningen niet in strijd komen met een
hogere wettelijke regeling, geen belangen behartigen die door een hogere
regeling worden behartigd en geen onderwerpen betreffen die typisch niet
tot het gemeentelijk -- of provinciaal — belang kunnen worden gerekend.^^''
Het is sterk de vraag of het geven van hoger onderwijs niet tot deze laatste
onderwerpen gerekend kan worden; feit is, dat de wetgever onlangs is overge-
gaan tot omzetting van de Universiteit van Amsterdam tot een volledige rijks-
universiteit.^^'
De tweede kanttekening naar aanleiding van de verheffing van het Athe-
naeum Illustre tot universiteit is, dat bij de parlementaire behandeling van de
betreffende wetsartikelen reeds duidelijk in het zicht is gekomen de span-
ning, die ontstaat wanneer de wetgever pogingen doet om de — in dit geval
ten onrechte gehanteerde — vrijheid van onderwijs te verenigen met de nood-
zakelijke waarborgen ten aanzien van de kwaüteit van academische graden.
Om het ius promovendi cum effectu civili te kunnen verwerven moest het
gemeentebestuur van Amsterdam afstand doen van een niet onbelangrijk deel
van zijn tot dan toe autonome bevoegdheid tot het inrichten van het Athe-
naeum Illustre.
.7.4.2. Titel III: 'Van het Bijzonder Hooger Onderwijs'
De vier ontwerpen van wet, waarvan het laatste tenslotte het Staatsblad be-
reikte, hadden gemeen, dat in elk daarvan werd voorgesteld om iedere Neder-
lander, iedere buitenlander na verkregen vergunning, elke erkende vereniging
en elk kerkgenootschap het recht tot oprichting van bijzondere instellingen
van hoger onderwijs te verlenen. Het minst duidelijk in dit opzicht was het
ontwerp-Geertsema, dat aan het bijzonder hoger onderwijs trouwens maar
één bepaling wijdde. De voorgestelde vrijheid tot het stichten van bijzondere
scholen strekte zich uit over het gehele hoger onderwijs en had derhalve gelij-
kelijk betrekking op de gymnasia, de universiteiten en de verdere instellingen
van hoger onderwijs.^^* In de wet werd voorts bepaald, dat bijzondere instel-
232. Art. 140 luidde: 'Aan den raad wordt de regeling en het bestuur der gemeente
overgelaten. Op de verordeningen, welke hij te dienaanzien maakt en aan de Provinciale
Staten moet mededelen is art. 133 van toepassing.' Art. 133 bevatte een schorsings- en
vernietigingsrecht van besluiten van Provinciale Staten.
233. Thans art. 153 Grondwet.
234. Vgl. prof. mr. H.D. van Wijk/mr. W. Konijnenbelt: 'Hoofdstukken van administra-
tief recht', 1976, blz. 46.
235. Artt. 85—92ter van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs. Inrichting en func-
tioneren van deze universiteit zijn niet langer bij gemeentelijke verordening, maar bij de
wet geregeld.
236. Het eerste ontwerp-Heemskerk rekende daartoe ook het miUtair hoger onderwijs.
Titel V van dit ontwerp regelde het openbaar militair onderwijs, zodat men a contrarie
zou mogen aannemen, dat bewust rekening was gehouden met de mogelijkheid van een
bijzonder militair hoger onderwijs!
36
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's