De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 108
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
invoering van de leerplicht in 1901 kon een argument te meer worden ont-
leend. Op die gronden heeft de (grond)wetgever na de erkenning van de vrij-
heid van onderwijs het bijzonder onderwijs tenslotte ook de materiële vrij-
heid van onderwijs verschaft.
III.2. De bekostiging van het bijzonder lager onderwijs
m.2A. De periode 1857-1887
De erkenning van de vrijheid van onderwijs in 1848 introduceerde, als ge-
zegd, naast het openbaar en het huisonderwijs het bijzonder onderwijs.
Nadat al in 1848 was aangedrongen op het verlenen 'van de nodige middelen
aan de ouders, om het gewenschte onderwijs mogelijk te maken'^ diende
minister Van Rappard"* begin 1857 een ontwerp-Lager-Onderwijswet in,
waarin de mogelijkheid werd voorgesteld het bijzonder onderwijs vanwege de
besturen van gemeenten of provincies te subsidiëren.' Een deel van de
Tweede Kamer zag in dit subsidievoorstel 'eene niet toe te laten verwarring
van pubHek en particulier belang en tevens een wezenlijk gevaar voor het
staatsonderwijs',* terwijl ook de voorstanders van subsidiëring zich niet met
het wetsvoorstel konden verenigen, omdat de gesubsidieerde scholen ieders
godsdienstige begrippen zouden dienen te eerbiedigen.'' Onder verwerping
van amendementen van zowel voor- als tegenstanders van subsidiëring werd
het wetsvoorstel niettemin aanvaard.^
Op grond van de LO-wet 1857 kwamen zodoende vrijwel geen bijzondere
scholen voor subsidiëring door de overheid in aanmerking.^ De bekostiging
van de bijzondere lagere scholen kwam derhalve voor rekening van ouders,
wier kinderen deze scholen bezochten, en sympathisanten. Een belangrijke
steun betekende de oprichting in 1861 van de Vereeniging voor Christelijk
Nationaal Schoolonderwijs, die jaarlijks grote sommen gelds bijeen wist te
brengen.'
De kosten van het openbaar lager onderwijs kwamen ten laste van de ge-
meenten.*^ Ter tegemoetkoming in deze kosten kon door de gemeenten een
schoolgeld worden geheven.'^ Omdat een deel van de kosten van het open-
baar onderwijs uit de belastingen moest worden gedekt, moesten de voor-
3. Aldus Scholten, blz. 142.
4. In het kabinet-Van der Brugghen.
5. Zie Francken/Van der Kloes, blzz. 192—207. De subsidiëring vormde in het debat
over dit ontwerp overigens maar bijzaak; zie par. 1.6.2.
6. Zie het Verslag der Commissie van Rapporteurs; vgl. Witlox III, blzz. 279 e.v.
7. Een amendement-Baud stelde voor deze subsidievoorwaarde te schrappen; dit amen-
dement werd verworpen.
8. Art. 3 LO-wet 1857.
9. Zie echter Langedijk, blzz. 55 en 149.
10. Opgericht op 23 april 1861 met een rede van Groen van Prinsterer: 'Het voor Chris-
telijk Nationaal Schoolonderwijs niet ongunstig vooruitzicht'; zie Langedijk, vanaf
blz. 42.
11. Artt. 31 e.v. LO-wet 1857.
12. Art. 33 LO-wet 1857.
96
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's