De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 25
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
school.'"' Wat betreft het theologisch onderwijs op de universiteiten hadden
de katholieken reden zich door de opheffing door de overheid van de klein-
seminaries en de instelling van het Collegium Philosophicum tekort gedaan te
voelen. Gerechtvaardigd was de opvatting, dat dit onderwijs niet valt onder
de zorg van de overheid, maar tot die van de kerken .behoort. 'Vrijheid van
geweten, vrijheid van godsdienstoefening, vrijheid van onderwijs; hier-
tusschen is een onverbreekbare band', zo betoogde Groen van Prinsterer '"*
Samengevat keerden al deze bezwaren zich tegen de richting in religieus
opzicht van het staatsonderwijs en tegen het ingrijpen door de overheid in
het theologisch hoger onderwijs. Men streed voor de vrijheid van richting.
Daaronder werd verstaan de vrijheid om te bepalen, dat het onderwijs een
religieus karakter moest hebben en wat dat karakter dan zou betekenen. Uit-
drukkelijk werd onder de richting alleen een religieuze, kerkelijke richting
verstaan. Pas in de twintigste eeuw is het gebruikelijk geworden om daar-
onder ook de niet-kerkelijke, levensbeschouwelijke richtingen te vatten.
Langs verschillende wegen zou de richting van een school tot uitdrukking
moeten kunnen komen. Vooreerst door het onderwijs zo in te richten, dat
leerstellig christelijk onderwijs, bijbellezen en bijbelse geschiedenis daarin een
plaats zouden kunnen vinden. In essentie wenste men daartoe echter zowel
het organisatorisch verband van de school als onderwijseenheid te handhaven
als het voorbeeld van de inrichting van het onderwijs op de pubUeke scholen
te blijven volgen. Van een echt streven naar volledige vrijheid van inrichting
van het onderwijs was bepaald nog geen sprake.
Een zeer wezenlijke grief van de voorstanders van vrijheid van onderwijs
betrof de verphchte boekenlijst.'*" Katholieken en afgescheidenen wensten
zelf te kunnen bepalen aan de hand van welke leerboeken het lager onderwijs
zou worden gegeven. In elk geval wensten zij zich te ontdoen van bepaalde
bij de pubUeke scholen gebruikte leerboeken. Al in. 1829 stelde de bevredi-
gingscommissie daarom voor om de verplichte boekenlijst af te schaffen.
Zonder resultaat evenwel. Op voorstel van de onderv^djscommissie 1840 werd
tenslotte bepaald, dat de geestelijken van de verschillende kerkgenootschap-
pen voortaan censuur zouden mogen uitoefenen op de op pubheke scholen
gebruikte leerboeken.'^ Daarmee werd evenwel nog niet een vrijheid van de
keuze der leermiddelen, zoals die sedert 1917 in de Grondwet^"^ is ver-
ankerd, verwezenlijkt. Met betrekking tot de keuze der leermiddelen voor
het hoger onderwijs golden ook tijdens de regering van Koning Willem I geen
voorschriften.
Zowel het op de publieke lagere scholen aangestelde personeel als het
toezichthoudende personeel vormde voor de voorstanders van vrijheid van
onderwijs een steen des aanstoots. Dit hing nauw samen met de richting van
lOS.Zieblz. 12.
106. In zijn 'Maatregelen tegen de Afgescheidenen'.
107. Ingevolge art. 12 LO-wet 1806; vgl. De Nooy, blz. 19.
108. Art. 10 van het KB van 2 januari 1842; vgl. Witlox, deel II blz. 55; zie hiervoor
blz. 12.
109. Ai-t. 192 der Grondwet 1917.
15
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's