De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 17
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
de bevolking te bevredigen. Die school bedoelde immers 'geenszins ongods-
dienstig te wezen; de Bijbel, zelfs "leerstellig onderwijs" en gebed, werden er
niet geweerd'.^^ Geen wonder, dat vanuit deze achtergrond de overheid niet
alleen verre de voorkeur gaf aan de gemengde staatsschool, maar bovendien
trachtte om waar mogelijk ook tegen het vrije, bijzonder onderwijs op te
treden.
De bevoegdheid om maatregelen te treffen ten aanzien van zowel de door
het openbaar gezag gevestigde en erkende publieke scholen als de uit particu-
Her initiatief voortgekomen bijzondere scholen ontleende de koninklijke
regering aan haar interpretatie van het door de Grondwet gehanteerde begrip
'openbaar onderwijs'. Onderscheiden werd slechts tussen openbaar onderwijs
en huisonderwijs, dat is onderwijs gegeven in particuliere woningen aan leden
van één huisgezin. Alle scholen, publieke en bijzondere, werden gerekend tot
het openbaar onderwijs."** 'Alle scholen toch zijn openbare, dat is worden
openbaar gehouden'.^' Op grond van deze interpretatie van de Grondwet
werd met name vanaf 1825 een beleid gevoerd, dat strekte tot een drastische
inperking van de vrijheid van het hoger onderwijs. 'Gelet op art 226 der
Grondwet, waarbij het Onderwijs aan onze zorg is toevertrouwd' — hier viel
dus zelfs de beperking tot alleen het openbaar onderwijs weg — werd in dat
jaar instructie gegeven om alle klein-seminaries op te heffen."** Terzelfdertijd
werd te Leuven de door het Reglement op de inrichting van het Hoger
Onderwijs in de Zuidelijke Provincies aangekondigde faculteit der katholieke
theologie — deze faculteit kreeg de naam Collegium Philosophicum — opge-
richt.''^ Kort daarop volgde het verbod aan de groot-seminaries om leerlingen
aan te nemen, die niet een tweejarige cursus aan dit Collegium hadden door-
lopen.^" Deze besluitenreeks werd tenslotte afgerond met een verbod om
buitenslands te gaan studeren.^^
Ook voor het lager onderwijs werden vérstrekkende maatregelen afgekon-
digd. In 1822 werd bepaald, dat de artikelen van de Lager-Onderwijswet
1806 met betrekking tot de benoembaarheid tot onderwijzer voortaan ook
in de zuidelijke provincies en op de R.K.-congregatiescholen van toepassing
zouden zijn.^^ Voor de regering stond vast, 'dat op den duur alle geestelijken
uit het onderwijs moeten worden geweerd en dat de neutrale lekenschool
ook in het Zuiden over de geheele linie moet worden ingevoerd'. Daarop is
45. Aldus jhr.mr. A.F. de Savomin Lohman: 'Onze Constitutie', 1926, blz. 358; van
dezelfde auteur: 'De school waaraan de natie gehecht is', 1876. Tot 1815 was 'leerstellig
onderwijs' verboden (zie hiervoor blz. 2); na 1815 is daarin in zoverre verandering ge-
komen, dat de gemengde school een zo nadrukkelijk christelijk karakter aannam, dat van-
af 1817 met subsidie pubUeke scholen voor Joden afzonderUjk werden gesticht; vgl. J.C.
Rullmann; 'Gedenkboek de Unie "een school met den Bijbel",' 1928, blz. 6.
46. Vgl. De Nooy, blz. 91; Scholten, blzz. 47 en 100.
47. Aldus Van den Ende, blz. 46, die deze opvatting ook aan de LO-wet 1803 ten
grondslag legde.
48. KB van 14 juni 1825, no. 55.
49. KB van 14 juni 1825, no. 56.
50. KB van 11 juU 1825.
51. KB van 14 augustus 1825, no. 64.
52. KB van 25 juü 1822, no. 19.
7
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's