De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 63
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
aan de andere kant hebben ook de stichters en voorstanders van de VU zelf
nooit iets anders dan een traditionele universiteit gewild.
II.2. De wijziging van de HO-wet tijdens het ministerie-Kuyper
II.2.1. Voorspel
De eeuwwissehng betekende een keerpunt in de houding van de wetgever
jegens het bijzonder hoger onderwijs. In 1900 werd 'op initiatief van de heer
de Savomin Lohman het getuigschrift, afgegeven door binnenlandsche bij-
zondere scholen van hooger onderwijs, onder zekere voorwaarden, gelijkge-
steld met dat der openbare gymnasia'."*' Deze voorwaarden"*^ behelsden, dat
de bijzondere gymnasia onder toezicht moesten staan van de inspecteur der
gymnasia; leraren moesten in het bezit zijn van een getuigschrift van goed
zedelijk gedrag, en na 1 januari 1906 te benoemen leraren zouden in het be-
zit moeten zijn van een bewijs van bekwaamheid. In meer dan één opzicht
waren deze voorwaarden verrassend. De eerste, omdat de wetgever van 1900
— anders dan die van 1876 — nu wel tot regehng van overheidstoezicht
op althans een deel van het bijzonder hoger onder>vijs bereid bleek; de beide
laatste voorwaarden, omdat zij de vrijheid van de bijzondere gymnasia be-
perkten op een wijze, die de Grondwet alleen ten aanzien van het bijzonder
lager en middelbaar onderwijs had toegestaan. Men zou daarom wellicht
kunnen zeggen, dat — wanneer de grondwetgever van 1848 niet op een wat
ondoorzichtige wijze aan het bijzonder hoger onderwijs een grotere vrijheid
zou hebben toegestaan dan aan het bijzonder lager en middelbaar onder-
wijs — de toekenning van de effectus civilis aan de bijzondere gymnasia, die
later tot het middelbaar onderwijs werden gerekend, nooit tot een afzonder-
lijke wetgeving aanleiding had behoeven te geven.
In deze zelfde lijn ligt ook de totstandkoming van de Leerphchtwet
1900.^^ In deze wet werd de verplichting geschapen om te zorgen, dat kinde-
ren van een bepaalde leeftijd gedurende zeker tijdvak voldoende lager onder-
wijs zouden ontvangen. Voor het bijzonder lager onderwijs was het belang
van deze wet vooral daarin gelegen, dat ook het onderwijs aan de bijzondere
lagere scholen in het algemeen voldoende geacht werd, mits het de in de
Leerphchtwet genoemde vakken omvatte."* Dit was een erkenning van de
kwahteit van het bijzonder lager onderwijs, dat hierdoor voor de wet werd
gelijkgesteld met het openbaar lager onderwijs. In feite betekende dit echter
ook, dat in het lager onderwijs een vorm van effectus civilis werd ingevoerd;
deze effectus civilis hield in, dat ieder die onderwijs aan een openbare of
bijzondere lagere school had doorlopen geacht kon worden te hebben vol-
daan aan de bepaüngen van de Leerplichtwet 1900.
41. Zie Bijlagen bij de Handelingen II 1902-1903, no. 135, over de wet van 9 juli 1900,
Stb. 113.
42. Aangevuld bij KB van 7 juni 1901; vgl. De Ru, blz. 29.
43. Wet van 7 juli 1900, Stb. 111, in werking getreden op 1 januari 1901; zie G. Ster-
ringa: 'Leerplicht en Leerplichtwet', ac.pr. Leiden, 1934.
44. Zie Sterringa, blzz. 66-68.
53
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's