De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 176
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
III.9. De universitaire bestuurshervorming
III.9.1. De universitaire bestuursvorm voor 1970
Het universitair bestuur werd tot 1971 gekenmerkt door een zeker
dualisme.^*^ Onderscheid werd gemaakt tussen huishoudelijk bestuur**^ en
academisch zelfbestuur.^^"* Met het huishoudelijk bestuur, waaronder werd
verstaan het financiële, personele en materiële beheer, waren voornamelijk de
colleges van curatoren belast. Deze waren in 1815 van in velerlei opzicht
eigenmachtig benoemende, besturende en beschikkende bestuurscolleges 'ge-
degradeerd tot - in hoofdzaak - een intermediair tusschen de landsoverheid
en de hoogeschoolen'.^^^ Onder de HO-wet verkeerden deze colleges in een
nogal tweeslachtige positie, omdat zij optraden als 'hoeder van de belangen'
van de rijksuniversiteiten, maar ook fungeerden als adviseur van de rege-
ring.^^* De wet WO heeft de positie van de colleges van curatoren versterkt
door de rijksinstellingen rechtspersoonlijkheid te verlenen^^^ en door deze
colleges tot de bestuurders van de instellingen in deze vermogensrechtelijke
kwaliteit te ma ken. ^^^
Naast en gedeeltelijk onder curatoren stonden de academische senaten met
aan het hoofd de rectores magnifici.^^' De wet WO belastte de senaten in het
bijzonder met de behartiging van het onderwijs en de beoefening der weten-
schap.^^ De senaten overkoepelden de faculteiten, interfaculteiten, subfacul-
teiten, afdelingen, tussenafdelingen en onderafdehngen, die ieder tot taak
hadden de verzorging van onderwijs en wetenschap op hun eigen gebied als-
mede het afnemen van examens.^'' Tezamen waren de senaten, de (inter/
sub)faculteiten of de (tussen/onder)afdeüngen belast met het academisch
zelfbestuur.
Arriëns heeft betoogd, dat de dualistische bestuursorganisatie van de rijks-
universiteiten mutatis mutandis ook van toepassing zou zijn op de bijzondere
universiteiten en hogescholen. 'Het bijzondere karakter van de(ze) universi-
teit maakt voor de bestuursrechtelijke verhoudingen tussen de organen van
haar academisch zelfbestuur geen wezenlijk verschil ten opzichte van de over-
eenkomstige verhoudingen bij de rijksuniversiteit'.^'^ Deze stelling is echter
niet houdbaar, omdat de bestuurlijke verhoudingen bij de bijzondere instel-
lingen wel degelijk verschillen van die bij de rijksinstellingen. Zo kende de
VU vanaf de oprichting in 1880 en ook na de erkenning en de bekostiging
anders dan de rijksinstellingen niet twee, maar drie besturende colleges.
Het bestuur van de bijzondere instellingen berust in het algemeen bij de
382. Vgl. Arriëns, blz. 45.
383. Zie Arriëns, hoofdstuk III.
384. Zie Arriëns, hoofdstuk IV.
385. Aldus De Ranitz, blz. 192.
386. Vgl. De Ranitz, blz. 205.
387. Zie par. 1.7.4.2.
388. Vgl. Arriëns, blz. 48.
389. Zie De Ranitz, blzz. 97 e.v.
390. Artt. 38 en 48 wet WO 1960; vgl. artt. 113-117 HO-wet.
391. Arrt. 59 e.v. wet WO 1960.
392. T.a.p. blz. 98.
164
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's