De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 39
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
17. De Hoger-Onderwijswet van 1876
1.7.1. De ontwerpen van wet
In de periode 1868—1874 zijn in totaal vier ontwerpen van wet tot regeling
van het hoger onderwijs bij de Tweede Kamer ingediend en ten dele ook
behandeld. Het eerste ontwerp dateert van 1868 en werd ingediend door
minister Heemskerk; in 1869 volgde een ontwerp van minister Fock, terwijl
in 1874 achtereenvolgens ontwerpen van minister Geertsema en wederom
van minister Heemskerk het hcht zagen. Na toch nog ingrijpend te' zijn ge-
wijzigd bereikte dit laatste ontwerp uiteindelijk in 1876 het Staatsblad.'*'
In alle vier de ontwerpen werd het universitair of academisch onderwijs tot
het hoger onderwijs gerekend; daarnaast werd daartoe 09k het onderwijs aan
de athenaea en gymnasia gerekend.''" Voor het bijzonder wetenschappelijk
onderwijs, dat tenslotte het voornaamste onderwerp van de onderhavige
studie vormt, is een drietal aspecten van de verschillende ontwerpen en de
daaruit voortgekomen Hoger-Onderwijswet"' van belang. Dat zijn: de vrij-
heid van het bijzonder hoger onderwijs, de plaats van de faculteit der godge-
leerdheid en de doctorale graden. Aan een nadere beschouwing van deze
onderwerpen moet echter nog een kort overzicht van de omvang en doelstel-
ling van het hoger onderwijs vooraf gaan.
1.7.2. Vorming en opleiding
Art. 1 van de H.O.-wet bepaalde, dat 'hooger onderwijs omvat de vorming en
voorbereiding tot zelfstandige beoefening der wetenschappen en tot het be-
kleeden van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor een wetenschappelijke
opleiding vereischt wordt'. Dit artikel is niet zonder slag of stoot in de wet
terecht gekomen."^ Het Organiek Besluit van 1815 ging nog uit van een
eenzijdige taak van het hoger onderwijs."^ Sedertdien was bij verschillende
gelegenheden de functie van het hoger onderwijs in discussie geweest."''
Kern van die discussie was de vraag of het hoger onderwijs nu met name de
wetenschappelijke vorming, dan wel de opleiding tot het bekleden van maat-
schappelijke betrekkingen ten doel moet hebben of beide.
Oorsprong van de discussie was de ontstaansgeschiedenis van het weten-
schappelijk onderwijs. De oudste 'universiteiten' — in de vroege middel-
eeuwen — waren om universele geleerden"^ gegroepeerde wetenschappelijke
189. Wet van 28 aprü 1876, Stb. 102.
190. Verschillende ontwerpen breidden het hoger onderwijs nog belangrijk verder uit;
vgl. De Geer van Jutfaas, blz. 51.
191. De Hoger-Onderwijswet zal verder worden geciteerd als: HO-wet.
192. Zie De Geer van Jutfaas, blzz. 47-49.
193. Art. 1 van het Organiek Besluit luidde: 'Onder den naam van hooger onderwijs
wordt verstaan zoodanig onderwijs, als ten doel heeft, den leerling, na afloop van het lager
en middelbaar onderwijs, tot eenen geleerden stand in de maatschappij voortebereiden'.
194. Zie mr. C.J.A. de Ranitz: 'De rechtspositie van de Rijksuniversiteit en van haar
elementen', ac. pr. Leiden, 1938, blzz. 37—42.
195. Zo Irnerius te Bologna en Abelard te Parijs; zie G. Compayre: 'Abelard and the
Origin and Early History of Universities', Londen, 1893.
29
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's