De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 52
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
nen zijn.^'''* Minister Heemskerk betoogde, dat een bijzondere instelHng niet
kon opleiden tot openbare ambten en dat de toekenning van de effectus civi
lis aan een bijzondere instelling 'een onmogelijkheid, zijnde in strijd met de
beginselen van ons staatsregt',^^^ was. Daarmee schaarde hij zich onder hen,
die — naar wij hebben gezien: ten onrechte — menen, dat de effectus civilis
behoort tot de essentiële en onvervreemdbare attributen van de staat. ^^*
Tegen de opvattingen van de minister opponeerde het kamerlid Bastert met
de vraag: 'Wat, zoo al in de Grondwet staat dat het hooger onderwijs vrij is,
wanneer alle gevolgen daarvan in het maatschappelijk leven worden belem-
merd?'^''^ Nu valt inderdaad niet te ontkennen, dat hoewel het in de Grond-
wet genoemde 'onderwijs' niet ook de wetenschappelijke opleiding omvatte,
het toch weinig billijk is om met de ene hand de vrijheid van onderwijs te
proclameren en tegelijkertijd met de andere hand dat vrije onderwijs van zijn
maatschappelijke betekenis te ontdoen. Het is derhalve niet een gevolg van
de vrijheid van onderwijs zelf, maar wel een eis van billijkheid om aan het
bijzonder onderwijs de effectus civihs te verlenen. Duidelijk wordt nu voor
welk dilemma de wetgever van 1876 stond. Enerzijds had de Grondwet van
1848 de vrijheid van onderwijs geproclameerd en zou het niet meer dan
billijk zijn om het bijzonder onderwijs naast vrijheid ook de effectus civilis te
verschaffen. Aan de andere kant wenste de wetgever de effectus civilis met
waarborgen te omkleden, opdat de kwaliteit en het gehalte van de te ver-
lenen wetenschappelijke graden met het daaraan verbonden ius postulandi of
artem exercendi vast zou staan en daarmee ook van de uitoefening van de
betreffende ambten en bedieningen zelf. De voorspelling van Groen van Prin-
sterer werd hier bewaarheid. Zou men immers aan het bijzonder wetenschap-
pelijk onderwijs de effectus civilis willen verlenen, dan zouden — tenzij de
wetgever bij voorbaat een onwaarschijnlijk groot vertrouwen in de kwaliteit
van een nog niet bestaand onderwijs zou hebben gesteld — ten aanzien van
dat onderwijs en in het belang van een goede uitoefening van openbare amb-
ten en bedieningen waarborgen voor de kwaliteit van de wetenschappelijke
opleiding aan de bijzondere instellingen geschapen moeten worden. Die waar-
borgen zouden een onvermijdelijke inbreuk op de vrijheid van onderwijs be-
tekenen. De onverenigbaarheid van de vrijheid van onderwijs met afdoende
waarborgen voor de kwaHteit van de opleiding door bijzondere instellingen
was daarmee evident.
De wetgever van 1876 is niet in staat geweest een bevredigende oplossing
voor dit dilemma te vinden. Een mogelijke oplossing — de invoering van een
stelsel van staatsexamens - werd afgewezen. Dat de wetgever bij zijn af-
weging van het belang van de vrijheid van onderwijs en de billijkheid van
toekenning van de effectus civilis tegen het belang van een wettelijk gewaar-
borgde kwaliteit van de wetenschappelijke opleiding door het bijzonder
é
274. Vgl. De Ru, blzz. 9-16.
275. Daarmee doelde de minister op het feit, dat het toentertijd nog onmogelijk werd
geacht om publiekrechtelijke bevoegdheden te verlenen aan privaatrechteüjke instellingen
of personen.
276. Zie hiervoor blz. 33.
277. HandeUngen II 1875-1876, blz. 1126.
42
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's