De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 224
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
in haar oordeelsvorming over dergelijke nieuwe instellingen, die, naar het
voorbeeld van de beide economische hogescholen leert, soms een zeer zin-
volle aanvulling op het bestaande wetenschappelijk onderwijs kunnen
betekenen.
Terugkerend naar de wel in het Academisch Statuut vermelde studie-
richtingen kan worden vastgesteld, dat de nadere inrichting van het weten-
schappelijk onderwijs als regel op drie niveau's plaats vindt. In de eerste
plaats op het niveau van de instellingsbesturen, die al dan niet onder het aan-
vragen van goedkeuring besluiten tot het inrichten van faculteiten en studie-
richtingen;*^* vervolgens genieten de faculteiten een zekere vrijheid tot het
opstellen en vaststellen van een onderwijsprogramma voor de afzonderlijke
studierichtingen. Voor de faculteiten bij de openbare universiteiten en hoge-
scholen is dit wettelijk vastgelegd;'^'' voor de faculteiten bij de bijzondere
instellingen geldt dit voorschrift echter niet. Het is niet uitgesloten, dat aan
deze laatste instellingen de door de faculteiten opgestelde onderwijspro-
gramma's aan de goedkeuring van de besturen van de instelling of de rechts-
persoon zijn onderworpen als een waarborg temeer, dat de eigen aard van de
bijzondere instelling daarin voldoende tot uitdrukking komt.
Tenslotte zijn het vooral de hoogleraren en lectoren, die door inhoud te
geven aan hun leeropdracht het onderwijs en de examens inrichten. Krach-
tens de thans niet langer gewaarborgde leervrijheid of vrijheid van de verkon-
diging waren zij voorheen ook bevoegd om onderwijs buiten hun directe leer-
opdracht te geven.'^* De vrijheid van de docenten tot het inrichten van het
wetenschappelijk onderwijs is op tweeërlei wijze beperkt. In de eerste plaats
door de WUB, die een deel van deze taak van de hoogleraren en lectoren
heeft overgeheveld naar de vakgroepen. '^^
De tweede beperking geldt uitsluitend de docenten bij de bijzondere instel-
Ungen. Het spreekt immers vanzelf, dat zij bij de inrichting van hun onder-
wijs de eigen aard van de instelling in acht nemen. Hun vrijheid is daardoor
beperkter dan die van de docenten bij het openbaar onderwijs. Zou men
daarentegen wensen te komen tot een consequente doortrekking van het be-
ginsel van de derdenwerking van de grondrechten — zie het Mensendieck-
arrest — dan zou dit tot het onaanvaardbare resultaat leiden, dat de docenten
bij de bijzondere instellingen met een beroep op de vrijheid van onderwijs
volledig vrij zouden zijn in de inrichting van hun onderwijs. Dat de wetgever
voor een zodanige doortrekking van dit beginsel niet zou voelen blijkt reeds
uit de in de wet WO geïmpliceerde mogelijkheid tot verwijdering van
docenten, die zich tegen de eigen aard van een bijzondere instelling rich-
ten.'3
126. Ziepar. IV.3.2.
127. Art. 59 Hd 3 wet WO.
128. Art. 71 van het Organiek Besluit 1815 erkende de vrijheid van de verkondiging nog
uitdrukkeUjk; zie par. 1.1.3.
129. Art. 17 WUB.
130. Art. 120 sub d wet WO; zie par. IV.4.3.
212
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's