De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 227
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
IV. 6. De vrijheid van de aanstelling der onderwijzers
Het onderwijsartikel noemt de vrijheid van het bijzonder onderwijs betref-
fende de aanstelling der onderwijzeres als één van de vrijheidsrechten, die de
wetgever bij zijn regeling van de eisen van deugdelijkheid voor het algemeen
vormend lager onderwijs heeft te eerbiedigen.^^' Deze vrijheid is een duide-
lijk uitvloeisel van de vrijheid van richting. Het zijn de docenten, die in hun
dagelijks contact met leerlingen en studenten de eerstaangewezenen zijn om
aan de richting gestalte te geven en deze in hun onderwijs te laten door-
klinken. Het spreekt dan ook vanzelf, dat bijzondere scholen er bij de aan-
stelling van onderwijzers voor waken, dat zij dit ook inderdaad zullen doen.
De bijzondere scholen moeten daarom in vrijheid kunnen bepalen aan wie zij
wel of niet het geven van onderwijs in deze geest toevertrouwen.
Aan de openbare universiteiten en hogescholen zijn de colleges van bestuur
belast met het voeren van het personeelsbeleid. '^^ Daaronder wordt verstaan
de bevoegdheid tot het benoemen en ontslaan van het personeel en het
verdere personeelsbeheer, voorzover deze bevoegdheid niet aan de Kroon is
voorbehouden. De wet WO bepaalt namelijk, dat hoogleraren, lectoren''*' en
de bibhothecaris van een instelling door de Kroon worden benoemd en ont-
slagen.''*^
Bij de bijzondere instellingen ligt dit anders. Daar is het personeel in dienst
van de rechtspersoon, waar de bijzondere instelling van uitgaat. De zeggen-
schap over de personeelsleden behoort bij de besturen van de rechtspersonen;
zij bepalen het personeelsbeleid. Bij het te voeren personeelsbeleid zijn de
erkende en bekostigde bijzondere instellingen niet geheel vrij; de minister
kan namelijk bepalen, dat bepaalde richtlijnen met betrekking tot het perso-
neelsbeleid bij het openbaar wetenschappelijk onderwijs ook door de be-
sturen van de rechtspersonen, waar de bijzondere instellingen van uitgaan, in
acht worden genomen.'"^^ Bovendien mogen al sedert 1905 de salarissen, belo-
ningen, toelagen, vergoedingen en overige op geld waardeerbare arbeidsvoor-
waarden bij de bijzondere instellingen niet gunstiger zijn dan bij het open-
baar wetenschappelijk onderwijs.'''^ A contrario zou daaruit kunnen worden
afgeleid, dat alle op geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden bij deze instellin-
gen mede op grond van het beginsel van de gelijkwaardige ontwikkelings-
mogelijkheden ook niet slechter zouden behoren te zijn dan bij het open-
baar wetenschappelijk onderwijs. De praktijk is echter, dat de overheid zowel
voor de openbare als de bijzondere instellingen per instelling een gemiddelde
personeelslast vast stelt. De gemiddelde personeelslast voor de VU ligt in het
algemeen lager dan die voor de Universiteit van Amsterdam. Daardoor ver-
keert de VU bij de personeelswerving niet zelden in het nadeel.'*^
139. Art. 208 Ud 6 van de Grondwet.
140. Art. 31 Ud 1 sub c WUB.
141. Art. 65 Ud 1 wet WO.
142. Art. 72 wet WO.
143. Art. 94 Ud 2 wet WO.
144. Art. 94Ud3 wet WO. '
145. Art. f86 sub^ HO-wet bepaalde nog, dat voor een bijzondere universiteit te
Amsterdam zou gelden, dat — indien de salarissen bij de Universiteit van Amsterdam
215
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's