Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 35

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 35

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

de voort uit de vrij kritieke financiële situatie van het Rijk, die ook in de

jaren vóór 1848 herhaaldelijk aanleiding had gegeven tot voorstellen om de

universiteiten te Utrecht en Groningen of tenminste één van deze beide op te

heffen.''^ Niet de opdracht aan, maar vooral de samenstelling van de com-

missie leidde tot protesten; in katholieke kring vroeg men zich af of het

'vroeger heerschend kerkgenootschap eenige vrees koesterde voor het uitslui-

tend behoud van de drie theologische faculteiten, van 's Rijkswege bezol-

digd?'^*" en er daarom geen enkele geloofsgenoot in de commissie was be-

noemd.

Medio 1849 bracht de commissie een verdeeld rapport uit. Een meerder-

heid stelde voor om de drie bestaande universiteiten te handhaven, om de

latijnse scholen voortaan tot het middelbaar onderwijs te rekenen'*' en om

te onderscheiden tussen openbare en bijzondere scholen van hoger onderwijs.

Ook werd voorgesteld voortaan onderscheid te maken tussen staatsexamens,

die niet door de faculteiten maar van staatswege afgenomen zouden worden,

en de door de academische senaat te verlenen doctoraten. Door het stichten

van vrije scholen met vrije studierichtingen toe te staan, door de toegang tot

de rijksuniversiteiten voor ieder open te stellen en door ieder kerkgenoot-

schap in de gelegenheid te stellen om een bijzondere faculteit op te richten

of zich van één of meer leerstoelen te verzekeren, zou de vrijheid van onder-

wijs moeten worden gewaarborgd.'*^

De Utrechtse hoogleraar Opzoomer kon zich met dit meerderheidsstand-

punt in meer dan één opzicht niet verenigen. Hij stelde voor alleen de univer-

siteit te Utrecht te handhaven. De onderscheidene kerkgenootschappen zou-

den volgens hem zelf in het onderwijs in de godgeleerdheid moeten voor-

zien.'"

Thorbecke, die kort voor het verschijnen van het commissie-rapport was

opgetreden als minister van Binnenlandse Zaken en die toch mede aan de

wieg van het onderwijsartikel had gestaan, had weinig haast met de voorberei

ding van een hoger onderwijswetgeving. Zo ook zijn verschillende ambtsop-

volgers; eerst in 1868 diende de toenmahge minister Heemskerk een ontwerp

van wet tot regeling van het hoger onderwijs in. In de tussentijd verkreeg de

vrijheid van onderwijs wel praktische erkenning; zo verklaarde minister

Thorbecke al in 1850, dat de vrijheid om naast de openbare universiteiten

ook bijzondere instellingen op te richten 'bestaat, en zoolang ik de eer heb

159. Zie blz. 11. Zie voorts: prof. P. Hofstede de Groot: 'Is bezuiniging op het

Onderwijs, vooral door opheffing eener hogeschool aan te raden', 1849; anoniem: 'Bezui-

niging door vernietiging van Hoogescholen', 1849; adres tot behoud van de Hoogeschool

te Utrecht van de gemeenteraad van Utrecht, februari 1849.

160. Aldus Witlox, deel III: 'De staatkundige emancipatie van Nederlandse Katholie-

ken/1848-1870', 1969, blzz. 60-69.

161. Zie ook Buijs, blz. 764.

162. Vgl. De Geer van Jutfaas, blzz.11-15.

163. Prof. mr. C.W. Opzoomer: 'De hervorming onzer Hoogescholen. Rapport, wetsont-

werp, en memorie van toelichting', 1849. Vooral tegen zijn tweede voorstel richtten zich

diverse publikaties; zie onder meer: W.A. van Hengel: 'Over de Godgeleerdheid in het

algemeen en hare betrekking tot het onderwijs op 's lands Hoogescholen in het bijzonder',

1850; dr. D. Harting: 'De theologie als bestanddeel van het hooger onderwijs', 1850; J.

van Vloten: 'Nog een woord omtrent de faculteit der godgeleerdheid', 1851.

25

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 35

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's