De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 27
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
de afschaffing van de wettelijk voorgeschreven autorisatie werd zowel bepleit
door hen, die de vrijheid van onderwijs zagen als een vrijheid van beroep, als
door degenen, die de onderwijsvrijheid beschouwden als een onderdeel van
het ouderrecht.
Slechts op één punt hebben de strijders voor vrijheid van onderwijs snel
genoegdoening verkregen, namelijk terzake van de vrijheid van studiekeuze
bij het hoger onderwijs. De bevredigingscommissie 1829 legde deze vrijheid,
die inhoudt dat ieder zich naar eigen goeddunken, kan voorbereiden op met
name academische examens en dat men tot deze examens behoort te worden
toegelaten, onverschillig waar men de daartoe vereiste kundigheden heeft op-
gedaan, zeer nadrukkelijk aan haar wetsvoorstellen ten grondslag.'^" In 1825
was deze vrijheid, die toen echter nog niet als zodanig was erkend, sterk be-
knot door het verbod van de regering om buitenslands te gaan studeren en
door het voorschrift, dat studenten in de R.K.-theologie hun studie dienden
aan te vangen aan het Collegium Philosophicum. Nadat deze beide maat-
regelen ongedaan waren gemaakt bestond inderdaad volledige vrijheid om
zich in binnen- of buitenland op het afleggen van academische examens voor
te bereiden.
1.5. De vrijheid van onderwijs in de Grondwet van 1848
1.5.1. De wordingsgeschiedenis
Vanaf 1844 verhevigde allengs de drang om de vrijheid van onderwijs grond-
wettelijk te waarborgen. In dat jaar verscheen het initiatief-wetsontwerp tot
wijziging van de Grondwet van de 'Negenmannen', waartoe ook de beide
latere voorzitters van de ministerraad Donker Curtius'^' en Thorbecke'^^
behoorden. De Negenmannen stelden voor in de Grondwet te bepalen: 'De
inrigting van het publiek'^^ onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders
godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. De Koning doet van den staat
der hooge, middelbare en lagere scholen aan de Staten-Generaal jaarlijks een
uitvoerig verslag geven'. Het enige nieuwe, dat dit voorstel bracht, was dat
een wettelijke regeling van het publiek onderwijs werd voorgeschreven. Daar-
bij verdient aantekening, dat terwijl deze wettelijke regehng alleen op het
pubhek onderwijs betrekking zou moeten hebben, de jaarlijkse verslaglegging
over de staat van het onderwijs kennelijk het gehele ondervrijs - dus publiek
en bijzonder — zou dienen te omvatten.
Het voorstel van de Negenmannen werd als volgt toegelicht: 'hetgeen de
zorg der regering in de eerste plaats moest hebben teweeg gebracht, een
goede wetgeving over de grondslagen, waarop de inrigting van het onderwijs
120. Zie De Nooy, blzz. 103 en 113;vgl. par. 1.2.2.
121. Al in 1840 sprak hij zich in zijn 'Proeve eener nieuwe Grondwet' uit voor de vrij-
heid van onderwijs; zie hiervoor blz. 11.
122. Zie over zijn opvattingen Scholten: 'Thorbeclce en de vrijheid van onderwijs tot
1848'.
123. Hier werd onder publiek nog verstaan: 'uitgaande van het openbaar gezag'. Deze
term is in 1848 vervangen door 'openbaar'.
17
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's