De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 18
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
het beleid van de regering gericht geweest en met dat doel zijn verdere maat-
regelen voorbereid. ^^
1.2.2. De roep om vrijheid van onderwijs
Het katholieke deel van de bevolking voelde zich door de besluiten ten
aanzien van het hoger onderwijs diep gegriefd.^'* Zowel in de Staten-Generaal
als daarbuiten ontstond hevige beroering. In de Tweede Kamer was het voor-
al jhr. Leopold van Sasse van Ysselt, die betoogde dat de verschillende decre-
ten ongrondwettig waren. Hij achtte de annexatie van het onderricht in de
kerkelijke geschiedenis en het kerkelijk recht - deze vakken zouden
voortaan aan het Collegium Philosophicum gedoceerd moeten worden — een
aantasting van de vrijheid van de R.K.-kerk en daarbij een inbreuk op de
ouderlijke macht.^^
Voor het eerst werd in 1825 het begrip 'vrijheid van onderwijs' gehanteerd
en wel door 'oppositieorganen als Le Courrier de La Meuse en La Catholique
des Pays-Bas, overgenomen door De Gerlache in de Tweede Kamer in zijn
rede van 13 December 1825'.^* Het volk werd gemobiliseerd; niet alleen door
de katholieken, maar nu ook door de liberalen, die zich bij deze actie aan-
sloten. Het regende petities. 'Wij vragen geen uitsluitend recht; geen hulp
zelfs; neen, wij vragen alleen, dat het openbaar onderwijs^' vrij zij, eene
vrijheid, welke ons onze Koning beloofde, toen Z.M. ons in de grondwet de
verzekering wilde geven, dat de opvoeding der jeugd, de uitbreidmg van
wetenschappelijke kennis, van alle knellende banden, die den geest onder-
drukken, den moed verdooven, zouden losgemaakt blijven; eene vrijheid,
welke de grondwet ons waarborgt en welker aanzijn in den Staat Z.M. in
art. 2 van het besluit van 2 Augustus 1815 no. 14, alwaar het onderwijs in de
vakken van het hooger onderwijs vrij gegeven werd, stellig erkende'.^*
In deze periode pubhceerde ook de Gentse hoogleraar Thorbecke voor het
eerst zijn opvattingen over het onderwijs.^^ Een onderwijsmonopolie van de
overheid achtte hij uit den boze; veeleer zouden overheid en particulier
initiatief elkaar in dit opzicht moeten aanvullen. Naar zijn oordeel moest de
overheid middels examens — om de bekwaamheid van de onderwijzers te
waarborgen —, autorisatie tot het oprichten van bijzondere scholen en toe-
zicht op het bijzonder onderwijs, dit particuUer initiatief in de juiste banen
leiden.
Geleidelijk raakte de Koning doordrongen van de omvang van de oppositie
53. Uitvoeriger daarover De Nooy, blzz. 54—71.
54. Vgl. Witlox, deel I blzz. 150 e.v.
55. Vgl. Witlox, deel I blzz. 157 e.v.
56. Aldus De Nooy, blz. 81; vgl. Witlox, deel I blz. 165.
57. Waarbij in het bijzonder te denken viel aan dat deel van het openbaar onderwijs, dat.
niet van het openbaar gezag uitging: het bijzonder onderwijs.
58. Amsterdamse petitie, opgenomen in dr. H.T. Colenbrander: 'Gedenkstukken der Al-
gemeene Geschiedenis van Nederland van 1795-1840', deel 1825-1830 II blz. 530; ge-
citeerd bij Scholten, blz. 61; zie ook Witlox, deel I blzz. 175-228.
59. In zijn 'Over het Bestuur van het Onderwijs in betrekking tot een aanstaande Wet-
geving', maart 1829.
8
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's