De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 124
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
vormen wat meer gestalte te geven is herhaaldelijk aangedrongen op de tot-
standkoming van een afzonderlijke subsidiewet.''''
Naast de onderscheiding naar de rechtsvorm zijn ook geheel andere onder-
scheidingen van het subsidiebegrip in zwang. ^^* Deze onderscheidingen
richten zich meer naar de omvang van de subsidiebedragen. Hier volgen de
belangrijkste onderscheidingen:
1. gehele of gedeeltelijke bekostiging van een bepaalde activiteit;
2. gehele of gedeeltelijke bekostiging van bepaalde uitgaven (voorbeelden:
investeringen; subsidie kerkbouw; personele lasten; nieuwe arbeidsplaatsen);
3. a. subsidiëring tot een bepaald plafond;
b. subsidiëring van tekorten;
4. subsidiëring met een vaste, jaarlijks vast te stellen bijdrage;
5. subsidiëring door lenings- of kredietgaranties.
Voor de onderhavige studie zijn niet al deze onderscheidingen van betekenis;
wel van betekenis is echter, dat de bevoegdheid van de overheid tot het stel-
len van subsidievoorwaarden en tot het houden van toezicht op de uitgaven
in belangrijke mate afhankelijk is van de gekozen vorm.
Betwist is wel of bekostiging is te beschouwen als een vorm van subsidie.
Van Haersolte meent te hebben vastgesteld, 'dat het woord "subsidie" alleen
dan kan worden gebruikt, wanneer de aktiviteit van de begiftigde instelling
slechts ten dele door de overheid wordt bekostigd'.'" Dit zou betekenen, dat
de door minister Cort van der Linden geïntroduceerde term 'financiële gelijk-
stelling''^^ noch de in de Grondwet gebruikte zinsnede 'geheel of ten deele
uit de openbare kas te bekostigen' als aanduidingen van subsidiëring zijn te
beschouwen.
Bij het spreken over subsidie is er tot dusverre steeds vanuit gegaan, dat
ongeacht de verdere positie van de overheid het steeds de overheid zelf is, die
de omvang van de te verlenen subsidies bepaalt; de overheid houdt de gouden
koorden van de beurs strak in handen. Indien de overheid echter tot finan-
ciële gelijkstelling of volledige bekostiging van particuliere activiteiten over-
gaat, dan is in beginsel — met behulp van subsidievoorwaarden is immers veel
te bereiken — niet langer de bereidheid van de overheid tot subsidieverlening,
maar de omvang van de particuUer geïnitieerde activiteiten bepalend ge-
worden voor de hoogte van de te verschaffen financiële steun. Nu moet om
te beginnen worden opgemerkt, dat het begrip 'volledige bekostiging' een
bedriegelijk begrip is. Bedoeld is namelijk niet, dat de overheid op zich
neemt om alles te bekostigen, maar slechts dat alles zal worden bekostigd,
dat aan bepaalde eisen voldoet of met bepaalde patronen en maatstaven over-
eenstemt. Zo is ook de volledige bekostiging van het bijzonder onderwijs niet
anders dan een even-gelijke bekostiging als bij het openbaar onderwijs: een
117. Met name bij het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk is
een dergelijk streven herkenbaar; zie beschikking herziening uitvoering subsidieregelingen
CRM, Stct. 1972, no. 154. Zie ook het ontwerp van een kaderwet specifiek welzijn; Bij-
lagen bij de Handelingen II, no. 14493.
118. Zie Steenbeek, blzz. 76-100; De Ruwe, blzz. 271-273.
119. T.a.p. blz. 17.
120. Handelingen H 1913-1914, blz. 726.
112
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's