De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 182
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Vervolgens stelde de nota vast, 'dat het voorontwerp het verschil in struc-
tuur van de openbare en bijzondere instellingen ten enen male miskent'.
Daarin werd onder meer voorbij gegaan aan het feit, dat de bijzondere instel-
lingen geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten. Een eerste conclusie van de
nota was dan ook, dat 'met de — uit de grondwettelijke vrijheid van onder-
wijs voortvloeiende — eigen structuur der bijzondere instellingen niet (werd)
gerekend'. Een tweede conclusie was, dat het voorontwerp daarom 'in strijd
met de eisen van de vrijheid van onderwijs, ook wat betreft de vrijheid van
richting' was. Voorgesteld werd om aan deze principiële bezwaren tegemoet
te komen door in het voorontwerp te bepalen, dat de reglementen van de
bijzondere instellingen met de wettelijke bepalingen ten aanzien van de open-
bare instellingen zouden moeten overeen stemmen, voorzover althans de
eigen aard van de bijzondere instellingen zich daarmee zou verdragen. 'Daar-
bij zou dan wel uitdrukkelijk moeten worden toegelicht, hoe die eigen aard
betrekking heeft op zowel de eigen structuur van de bijzondere universiteit,
als op de eisen van haar richting'.''^*
Naar aanleiding van deze kanttekeningen volgde een overleg van de minis-
ter met de bijzondere instellingen.''^'' De minister liet bij die gelegenheid uit-
komen, dat hij een bij de wet geregelde bestuurshervorming op korte termijn
geboden achtte. Bij alle haast wenste de minister — begrijpelijk en terecht —
koste wat het kost de hervorming van het universitaire bestuur in de hand te
houden. Hij vreesde echter, dat nu juist de bijzondere universiteiten en
hogescholen, waarop hij krachtens de Grondwet geen daadwerkelijke invloed
kon uitoefenen, deze opzet zouden verstoren en de bestuurshervorming als-
nog uit de hand zouden laten lopen.^^*
Tot 1948 en waarschijnlijk tot in de zestiger jaren zou het voor de overheid
tamelijk onverschillig zijn geweest, hoe het de bijzondere instellingen verging
en wat daar voorviel. Hadden zij niet aan de eisen van deugdelijkheid of de
voorwaarden voor bekostiging voldaan, dan zou de intrekking van de aan-
wijzing, c.q. erkenning zonder veel bezwaar onder ogen zijn gezien. Nu
echter was het bijzonder wetenschappelijk onderwijs niet alleen rechtens,
maar ook praktisch (de behoefte aan universitaire opleidingen!) een inte-
grerend onderdeel van het onderwijsbestel geworden. De vrijheid van de
bijzondere instellingen maakte het naar de mening van de minister 'niet
denkbeeldig, dat de discussies op de bijzondere instellingen voortgaan, waar-
bij het maximum van de wet daar als minimum wordt aangehouden. Dit kan
op zijn beurt weer leiden tot escalatie aan de openbare universiteiten en
426. Bij de nota behoorde een aantal amendementen op het voorontwerp. Deze amen-
dementen waren in eerste aanleg van prof. Duynstee afkomstig, maar de uiteindelijke
redactie was van mr. Donner. De amendementen beoogden art. 93 wet WO aan te vullen,
zodanig, dat de besturen van de rechtspersonen, waarvan de bijzondere instellingen uit-
gingen, de bevoegdheid zouden behouden regelen inzake de organisatie vast te stellen,
echter zoveel mogeUjk — zulks ter toetsing door de minister - de bepalingen van de
nieuwe wet daarbij in acht nemend.
427. Op 5 maart 1970.
428. Zo merkte de minister op, 'dat het ontwerp-reglement van Nijmegen op bepaalde
punten veel verder gaat dan het voorontwerp'.
170
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's