De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 49
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
in 1876 is gebleken is het privaatrechtelijk karakter van het bijzonder onder-
wijs het niet-gezochte, maar logisch gevolg van het feit, dat er naast het open-
baar onderwijs een vorm van onderwijs bestaat, die niet uitgaat van de over-
heid; een consequentie derhalve van de vrijheid van onderwijs. Veel kenmer-
kender voor het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs zijn de
richting van een bijzondere school of de inrichting van het onderwijs. Naast
het formele verschil tussen privaatrechtelijk of publiekrechtelijk karakter,
zijn het veeleer deze inhoudelijke verschillen, die de werkehjke bestaans-
grond van het bijzonder onderwijs vormen.
.7.4.3. Het t o e z i c h t
Overeenkomstig het bepaalde in de Grondwet was zowel in het eerste ont-
werp-Heemskerk als in het ontwerp-Geertsema het toezicht op het bijzonder
hoger onderwijs geregeld. Tegen die regeling waren — echter ten onrechte — be-
zwaren geopperd,^'^ waarvan de strekking was, dat toezicht op het onder-
wijs aan kerkelijke seminaries een ongewenste staatsinmenging in een essen-
tiële taak van de kerkgenootschappen zou zijn. Deze bezwaren gingen daar-
mee voorbij aan het grondwettelijk voorschrift, dat de Koning ook op de
kerkgenootschappen toezicht heeft te houden^^^ en dat een zodanig toezicht
derhalve zeer wel met het grondwettelijk stelsel verenigbaar was. Niettemin
zag minister Heemskerk in zijn tweede ontwerp vrijwel geheel van het
houden van toezicht op het bijzonder hoger onderwijs — kerkelijk of anders-
zins — af. Hij meende, dat tot 'dusverre zoodanig toezigt niet bestaat, dat er
slechts zeer enkele instellingen van dien aard aanwezig zijn, en dat bij de ver-
pligting om de vrijheid van het bijzonder hooger onderwijs te eerbiedigen,
een persoonlijk toezigt zich tot een bloot toezien zou moeten bepalen'.^^'*
De opvatting van minister Heemskerk ondervond zowel weerstand als bij-
val. 'Zoo als dat toezigt nu geregeld wordt zal men wel kunnen zien wat men
bij instellingen van bijzonder onderwijs zegt te zullen doen, maar niet wat
daarin werkehjk gedaan wordt. Onder den schijn van hooger onderwijs zal
wellicht middelbaar of lager onderwijs gegeven worden'.^'^ Daartegenover
meende een meerderheid van de Tweede Kamer: 'De grondwetgever heeft de
magt om meerder of minder toezigt te regelen aan den gewonen wetgever
toegekend. Op het openbaar hooger onderwijs moest volgens geest en inhoud
van art. 194 der Grondwet het toezigt een gansch ander zijn dan voor het
bijzonder onderwijs. Deze beide gelijk te stellen zou niet anders zijn dan rea-
geren tegen de grondwettelijke vrijheid van 't bijzonder onderwijs'.^^^ Boven-
dien overheerste de mening, 'dat het bijzonder onderwijs, ook bUjkens het
252. Zie het Voorlopig Verslag over het ontwerp-Geertsema.
253. Krachtens art. 169 Grondwet 1848; vgl. De Geer van Jutfaas, blzz. 324 e.v.
254. Memorie van Beantwoording op het verslag naar aanleiding van het tweede onder-
zoek in de afdelingen; Bijlagen bij de HandeUngen II 1874—1875, no. 30.
255. Alsdan zou het onderzoek naar de bekwaamheid van de onderwijzers worden ont-
doken.
256. Treffend is het verschil in opvatting vergeleken met die bij de behandeling van de
Lager Onderwijswet in 1857; par. 1.6.2.
39
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's