Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 135

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 135

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

lingen; en tenslotte werd een regeling getroffen voor de subsidiëring van het

aandeel van onderwijs en onderzoek in de kosten van verpleging van patiën-

ten.'

Het wetsontwerp verbond aan het verkrijgen van subsidie enkele

dwingende voorwaarden, die nagenoeg allen in het comptabele vlak lagen.

Aanvankelijk werd in het ontwerp nog bepaald, dat de bestedingen van de

gesubsidieerde bijzondere instellingen op hun doelmatigheid zouden kunnen

worden getoetst indien de minister de aan de, inrichting van een universiteit

of hogeschool te stellen eisen overschreden zou achten. Deze vrij beperkte

mogelijkheid tot ingrijpen in het functioneren van de bijzondere instellingen

kwam echter in de loop van de parlementaire behandehng van het ontwerp te

vervallen. Voor het overige hielden de subsidievoorwaarden in, dat de huis-

vestingskosten slechts voor subsidie in aanmerking zouden komen indien en

voorzover begrotingen en plannen door de minister zouden zijn goedge-

keurd;''' de salarissen en andere emolumenten van docenten en beambten

zouden in beginsel niet hoger mogen zijn dan de overeenkomstige vergoedin-

gen aan de rijksuniversiteiten;^''^ jaarlijks vóór 1 april moesten de begrotingen

voor het volgend begrotingsjaar worden ingediend, terwijl de staat van in-

komsten en uitgaven over het afgelopen begrotingsjaar vóór 1 juli*" moest

zijn ingediend; de subsidies zouden worden uitgekeerd in de vorm van maan-

delijkse voorschotten van per jaar vast te stellen grootte; subsidies uit andere

overheidskassen zouden op de rijkssubsidie in mindering worden gebracht,

terwijl niet-financiële steun van overheden slechts na verkregen goedkeuring

en onder eventueel nader vast te stellen voorwaarden zou mogen worden aan-

vaard;''''* bij de sluiting van een bijzondere instelling zou 65, 80 of 85% — al

naar gelang van het subsidiepercentage — van de geschatte waarde van de met

rijkssubsidie verworven terreinen en opstallen aan het rijk moeten worden

gerestitueerd. Tenslotte stelde het ontwerp voor te bepalen, dat de bijzon-

dere instellingen tegen besluiten van de minister met betrekking tot de subsi-

diëring bij de Kroon, de afdeling geschillen van de Raad van State gehoord,

in beroep konden komen.

Bij de behandeling van het ontwerp-Gielen in de Tweede Kamer kwamen

allereerst de 'rechtsgronden voor de subsidiëring van het bijzonder hoger

onderwijs'''' aan de orde. Met name de kamerleden Terpstra'''* en Stokman

170. Deze uitgaven zouden voor 80 of 85% kunnen worden gesubsidieerd, met een

objectief maximum van 65% van de gemiddelde uitgaven per verpleegdag in datzelfde

kalenderjaar in de academische ziekenhuizen bij de drie rijksuniversiteiten.

171. De in het eerste concept opgenomen vergoeding voor de reeds aan het onderwijs

beschikbaar gestelde onroerende eigendommen van de bijzondere instellingen kwam in

het ontwerp niet voor.

172. De vergoedingen aan bijzondere insteUingen te Amsterdam behoefden echter niet

lager te zijn dan aan de Universiteit van Amsterdam.

173. Voor de bijzondere hogescholen was dit 1 mei.

174. Deze bepaling leidde uiteindelijk tot de vraag of de contractueel overeengekomen

bijdrage van Nijmegen aan de KU wel een subsidie was; zie par. III.4.1. en blz. 116.

175. HandeUngen II 1947-1948, blzz. 1434-1442 en 1443-1467.

176. Mr. J. Terpstra was van 1929-1933 zelf minister van OK W geweest; in 1948

was hij hd en secretaris van het coUege van directeuren VU. Hij kende de bedenkingen van

123

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 135

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's