De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 37
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
teurs hadden daarbij de taak om toe te zien op de naleving van de wettelijke
bepalingen en de verdere verordeningen op het lager onderwijs; in geval van
overtreding konden zij proces-verbaal opmaken.'^^ De openbare en bijzon-
dere lagere scholen moesten voor hen steeds toegankelijk zijn en de onderwij-
zers waren verplicht hun de verlangde inlichtingen omtrent de school en
het onderwijs te verschaffen.*^^ De regering zag in deze regeling van het
schooltoezicht*'''* een belangrijke verbetering ten opzichte van de oude;*''' de
Tweede Kamer daarentegen koesterde nogal wat bezwaren, omdat zij deze
nieuwe wettelijke regeling te zeer een voortzetting van het overheidstoezicht
op de voet van de wet van 1806 achtte.*''* Hoe dit ook zij, voor de wetgeving
op het hoger onderwijs is slechts van belang, dat in 1857 een wettelijke
regeling van het toezicht op zowel het openbaar als het bijzonder lager
onderwijs tot stand kon komen zonder dat daartegen overwegende grondwet-
telijke bezwaren werden gehoord.
Het grondwettelijk voorschrift van de eerbiediging van ieders godsdienstige
begrippen werd door de LO-wet uitgewerkt in art. 23. Aan Groen van
Prinsterer, bijgevallen door het antirevolutionaire kamerlid Elout van Soeter-
woude, stond voor ogen om de openbare lagere scholen op te spiïtsen in
afzonderlijke openbare gezindtenscholen.*'''' Opgemerkt moet worden, dat
een dergelijke opsplitsing niet in strijd is met het grondwettelijke uitgangs-
punt,*''* omdat ook langs die weg de doelstelling van de Grondwet — de
eerbiediging van ieders godsdienstige gevoelens — op afzonderlijke scholen in
positieve zin zou kunnen worden gereahseerd. Een opsphtsing van de open-
bare school werd evenwel afgewezen.
Art. 23 verbood onderwijzers om 'iets te leeren, te doen of toe te laten,
wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen
van andersdenkenden'. Het geven van godsdienstig onderwijs werd overgela-
ten aan de kerkgenootschappen.*'' Tegelijkertijd verklaarde hetzelfde
art. 23, dat het onderwijs moest opleiden tot 'alle christelijke en maatschap-
pelijke deugden'. ** In één bepaling samengevoegd leidden deze zinsneden
tot een paradoxaal en dubbelzinnig voorschrift.***
Groen van Prinsterer achtte het gebruik van het woord 'Christelijk' in
art. 23 'onzedelijk woordenspel'. Immers 'waar Christenen en IsraëHten ver-
eenigd zijn, kan geen ander Christendom, dan van hetgeen kenmerkend is
ontdaan, worden geduld: het zoutelooze zout. Gij moet komen tot strikte
172. Art. 62 LO-wet 1857.
173. Art. 63 LO-wet 1857, waarin ook het weigeren van inlichtingen strafbaar werd
gesteld.
174. Nader geregeld bij KB van 16 december 1857.
175. Zie Langedijk, blz. 52 en de daar aangehaalde literatuur.
176. Zie Francken/Van der Kloes, blzz. 662-664 en 674-676.
177. Zie het amendement-Elout van Soeterwoude op art. 16 LO-wet 1857; met 51
tegen 6 stemmen verworpen. Zie ook blz. 16.
178. Vgl. Buijs, blz. 774. Deze auteur aarzelt en betwijfelt 'of zulk eene splitsing wel
inderdaad tot bevrediging der gemoederen zou kunnen bijdragen'.
179. Vgl. de hiervoor, blz. 25, geschetste opvattingen van Opzoomer.
180. Vgl. de identieke redactie in de LO-wet 1806.
181. Vgl. Langedijk, blz. 3.
27
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's