De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 169
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Het is juist, dat het bijzonder wetenschappelijk onderwijs ook na 1971 niet
in een positie verkeert, die gelijk is aan die van het openbare. De bekostiging
van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs blijft een vorm van subsi-
diëring; het bekostigingsstelsel is preventief van opzet, zodat niet tevoren
goedgekeurde uitgaven van een bijzondere instelling door de overheid buiten
de bekostiging gehouden kunnen worden. Met andere woorden: bij over-
schrijden van de wettelijk vastgestelde grenzen met betrekking tot de bekos-
tiging door de bijzondere instellingen komen de buiten die grenzen vallende
uitgaven ten laste van de rechtspersonen, waar zij van uitgaan. Met name in
het vlak van de investeringen kan zich een dergelijke situatie wel eens voor-
doen.
Indien een rijksinstelling zich niet houdt aan de bepaHngen van de wet
WO dan heeft dit zakelijk geen gevolg. De rijksinstellingen van wetenschappe-
lijk onderwijs hebben geen andere belangrijke inkomsten dan de jaarlijkse
rijksbijdrage en zijn dus financieel grotendeels afhankelijk van de overheid.
Worden door een rijksuniversiteit of -hogeschool verplichtingen aangegaan
zonder dat de minister daaraan zijn goedkeuring heeft gehecht dan draait in
laatste instantie toch altijd het rijk op voor de kosten. Geheel straffeloos zijn
echter ook deze instellingen niet, omdat wel een aantal niet-financiële maat-
regelen tegen hen getroffen kan worden, maar hun positie is in deze be-
duidend gunstiger dan die van de bijzondere instellingen.
De keerzijde van één en ander is wel, dat afgezien van de niet-bekostigde
uitgaven^'' de bijzondere instellingen, juist omdat zij kunnen beschikken
over eigen financiële middelen, een wat ruimer armslag hebben dan de rijks-
instelHngen. Zij kunnen daardoor ook zonder de goedkeuring van de over-
heid activiteiten ontplooien, waar de rijksinstelHngen niet aan toe kunnen
komen. Weliswaar vindt tegenwoordig ook bij de rijksinstellingen wel enige
fondsvorming plaats,^'* maar dat toch niet op een schaal, die zich laat verge-
lijken met die van de bijzondere instellingen.
Voor het overige zijn geen verschillen in de bekostiging van openbare en
bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs aan te wijzen. Dat is
niet verwonderlijk, omdat de bekostiging van beide onderwijsvormen, anders
dan bijvoorbeeld bij het lager onderwijs,^'^ op grondslag van dezelfde wette-
lijke regehng geschiedt. Dat zich een verschil in bekostiging tussen openbaar
en bijzonder onderwijs kan voordoen vloeit daarenboven niet voort uit de
wettelijke regeling zelf, maar uit het feit, dat de titel, waaronder de instelHn-
gen van wetenschappelijk onderwijs hun rijksbijdragen ontvangen, voor de
bijzondere instellingen een ander is dan voor de rijksinstellingen. Terwijl de
355. Zie par. IV.9.2.
356. Te denken valt aan het Leidsch Universiteitsfonds, het Groninger Universiteits-
fonds, het Utrechts Universiteitsfonds, de Stichting Fonds Medische Faculteit Rotterdam,
het Delfts Hogeschoolfonds, het Eindhovens Hogeschoolfonds en het Landbouwhoge-
schoolfonds. Al deze fondsen hebben als voornaamste doel de instandhouding van
bijzondere leerstoelen. Vgl. art. 100 Ud 1 sub d wet WO.
357. Vgl. D.A.P.W. van der Ende: 'Kosten van openbaar en bijzonder onderwijs', in
Openbare Uitgaven 8 (1976) 3 (juni), blzz. 90 e.v.
157
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's