De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 228
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Een belangrijk onderdeel van het personeelsbeleid is de benoeming en het
ontslag van het personeel. Ook dit onderdeel van het personeelsbeleid be-
hoort door het bestuur van de rechtspersoon te worden gevoerd, al is het
uiteraard vrij om deze bevoegdheid voor met name het administratief en
technisch personeel aan andere organen, bijvoorbeeld aan het college van be-
stuur, te delegeren. Ten aanzien van de benoeming en het ontslag van hoog-
leraren, lectoren en houders van zelfstandige leeropdrachten bepaalt de
w e t ' ^ uitdrukkelijk, dat het bestuur van de rechtspersoon de minister zo
spoedig mogelijk daarvan in kennis stelt. Daaraan wordt nog toegevoegd, dat
het bestuur deze mededeling vergezeld doet gaan van de nodige gegevens.
Ook van het vacant raken van leerstoelen, lectoraten en plaatsen voor hou-
ders van zelfstandige leeropdrachten dient de minister zo spoedig mogelijk in
kennis te worden gesteld. Ten gevolge van deze laatste bepaling is het
inmiddels usance geworden, dat tussen de bijzondere instellingen en het
departement vooroverleg plaats vindt over het instellen van nieuwe leer-
stoelen en lectoraten, kortom over het leerstoelenbeleid.'*''
Dat de besturen van de rechtspersonen bij de bijzondere instellingen het
laatste woord hebben inzake de benoeming en het ontslag van docenten
hangt samen met de richting van deze instellingen. 'In de konkrete situatie
van een noodzakelijke benoeming kan het konflict bij de keuze tussen ener-
zijds een goede vakman, die niet instemt met de doelstelling der universiteit
en anderzijds een minder goede vakman, die wel instemt met de doelstelling,
heel serieus zijn'.*''* Deze keuze is ook daarom zo moeilijk, omdat naast de
botsende belangen van het onderwijs en de eigen aard ook een rol speelt, dat
aan de benoeming van een hoogleraar of lector tegenwoordig een lang-
lopende procedure vooraf gaat. Voor elke benoeming pleegt een benoemings-
commissie te worden ingesteld; deze commissie begint met het inwinnen van
de adviezen van de zusterfaculteiten; op voordracht van deze benoemings-
commissie kunnen dan achtereenvolgens de vakgroep, de subfaculteit en de
faculteit worden geroepen tot een beslissing; op voordracht van het facul-
teitsbestuur neemt dan vervolgens het college van bestuur een besluit, dat
moet leiden tot een voordracht aan het bestuur van de rechtspersoon. Het is
evident, dat er de besturen van de rechtspersonen veel aan gelegen moet zijn
om te bereiken, dat én de benoemingscommissie én de verschillende tussen-
gelegen besturen zoveel mogelijk van dezelfde selectiecriteria uitgaan als deze
besturen zelf bij de uiteindelijke benoeming van hoogleraren en lectoren
plegen aan te leggen, opdat wordt voorkomen, dat bij de benoeming van deze
docenten de eigen aard van de instelling wellicht nodeloos tot inzet van een
conflict zou worden.
hoger zouden zijn dan bij de openbare instellingen van het Rijk — deze zich bij de sala-
riëring aan de Universiteit van Arasterdam zou mogen spiegelen.
146. Artt. 94, 122 wet WO.
147. Dit is gebaseerd op art. 94 lid 4 wet WO.
148. Zie nota 'AansteUingen en benoemingen' van de Universiteitsraad VU (17 maart
1976), blz. 3.
216
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's