De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 16
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
nederlandse universiteiten kenden deze drie instellingen niet een theologische
faculteit. In afwachting van een nadere regeling mochten daarom de klein-
seminaries hier voortbestaan totdat een openbare faculteit voor Katholieke
Theologie zou zijn ingericht.
1.2. De periode 1815-1830
1.2.1. Het onderwijsbeleid
Koning Willem I en zijn verschillende ministers koesterden zeer uitgesproken
opvattingen omtrent de plaats van het onderwijs in de samenleving. Hun
uitgangspunt was, dat het onderwijs met name voor de staat een absolute
noodzakelijkheid is.'*^ Om te kunnen functioneren moet de staat kunnen
beschikken over deugdelijk onderwezen burgers. In een anonieme brochure
van 1829 werd zelfs betoogd: 'de Staat heeft alleen te waken voor eigen
welzijn en behoud. Dit welzijn en dat behoud hangen voor een groot deel af
van de opvoeding zijner leden. Daaruit volgt, dat de Staat een uitsluitend
recht heeft op het inrichten van het openbaar onderwijs. ParticuHeren
hebben dus nodig autorisatie voor het stichten van een school en een door
den Staat te verleenen .acte van bekwaamheid tot het geven van onderwijs'.''^
Het onderwijs werd eerst en vooral gezien als een staatsbelang en indien een
bepaalde vorm van onderwijs strijdig werd geacht met dat belang, dan
werden daartegen maatregelen genomen. Zo bestond een groot wantrouwen
bij de regering jegens het op de R.K.-kerk - meer dan op de staat - georiën-
teerde onderwijs in de zuidelijke provincies. Dat wantrouwen kwam al- in
1816 tot uitdrukking toen het voor de regering nog een open vraag bleek of
de klein-seminaries in de zuidelijke provincies wel toelaatbaar waren.'^^
In het belang van de staat zou naar de opvattingen van de vorst de kwaliteit
van het onderwijs zo goed mogelijk dienen te zijn. In dit opzicht schijnen
zijn twijfels aan de kwaUteit van het onderwijs aan sommige niet-openbare
scholen niet ongerechtvaardigd te zijn geweest.** Vandaar ook, dat de Koning
bij alle concessies, die hij bereid was te doen, steeds heeft vastgehouden aan
de eis, dat voor het geven van onderwijs een acte van bekwaamheid nodig
zou zijn.
Naar de opvatting van de overheid was de gemengde school bij uitstek in
staat om de belangen van de staat in deze te dienen. Niet alleen was de
kwaliteit van het onderwijs op deze scholen met waarborgen omringd, maar
bovendien meende de overheid, dat de gemengde staatsschool zeer wel in
staat moest worden geacht om de uiteenlopende godsdienstige gevoelens van
41. Zie citaat van Van Grobbelschroy (minister van Binnenlandse Zaken onder Koning
Wülen I) bij De Nooy, blz. 121.
42. Aldus Scholten, blz. 65, die hiermee een samenvatting geeft van 'De la Direction
exclusive de l'Instruction Pubhque dans les Pays Bas, considerée comme une des preroga-
tives de la Couronne', 1829.
43. Een KB van 24 oktober 1816 hield de toelaatbaarheid van deze seminaries uitdruk-
kelijk in advies.
44. Zie Scholten, blz. 45.
6
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's