De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 189
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
alleen gelden voor de inrichting van het onderwijs, maar ook voor de in-
richting van het bestuur. Voor de erkenning van het onderwijs heeft echter
van meet af aan als voorwaarde gegolden en is als zodanig aanvaard, dat de
bijzondere universiteit zich bij de inrichting van dat onderwijs richt naar de
bepalingen die, ter waarborging van de deugdelijkheid, in de wet en het
academisch statuut worden gegeven voor de toelating tot en voor de inrich-
ting van het onderwijs alsook voor de wijze van afnemen van de examens aan
de openbare universiteiten. Men dient daarbij te bedenken dat in die regeling
wordt gesproken over senaat, faculteiten etc. Hiermee worden bedoeld de
organen van het academisch zelfbestuur waarvan de samenstelling en de taak
elders in de wet in hoofdlijnen zijn geregeld. Nu zijn de bepalingen over de
inrichting van het bestuur van de senaat, de faculteiten, de interfaculteiten
en de subfaculteiten van een rijksuniversiteit bij artikel 16 van de wet op het
wetenschappelijk onderwijs destijds nog niet uitdrukkelijk (in grote lijnen)
mede — bij wijze van voorwaarde voor de erkenning en bekostiging — van
toepassing verklaard op de bijzondere universiteiten. Dit neemt niet weg, dat
de regeling van de hoofdzaken van de organisatie van het universitaire be-
stuur voor de rijksuniversiteit op het gebied van het onderwijs en de weten-
schap wèl altijd is beschouwd als maatgevend voor die bijzondere instellingen
van wetenschappelijk onderwijs, die voor erkenning als gelijkwaardig aan de
eerder bedoelde instellingen in aanmerking wensen te komen'.'**'*
De strekking van deze vrij lange passage is, dat de bijzondere instellingen
ook onder de wet WO niet een vrijheid van inrichting van het bestuur kenden
en dat daarom de WUB die vrijheid niet kan aantasten. De toelichting van de
minister was in drieërlei opzicht kwestieus. Om de beginnen stelde hij daarin,
dat de impliciet voorgeschreven bestuursinrichting onder de wet WO verband
hield met de erkenning van de bijzondere instelHngen. Gesteld al, dat dit juist
zou zijn geweest — quod non! — dan nog mocht hij dit argument op deze
plaats niet gebruiken, omdat de bestuurshervorming van de WUB de bijzon-
dere instellingen van wetenschappelijk onderwijs niet als een voorwaarde
voor erkenning werd opgelegd; zouden deze instellingen niet hebben voldaan
aan het bepaalde in de WUB dan zouden zij krachtens art. 2 alleen van bekos-
tiging door de overheid zijn uitgesloten, maar hun erkenning hebben be-
houden. Op geen enkele plaats is dan ook betoogd, dat de WUB ook maar
iets met de deugdelijkheid van het wetenschappelijk onderwijs te maken zou
hebben; integendeel.'**'
In de tweede plaats vormde het betoog van de minister een schril contrast
met de werkelijkheid. Nadat onder de HO-wet de erkende bijzondere univer-
siteiten en hogescholen inderdaad hadden moeten voldoen aan de voor-
waarde, dat zij een college van curatoren zouden hebben, was deze voor-
waarde bij de totstandkoming van de wet WO vervallen; nadrukkelijk met de
bedoeling om tussen de overheid en het bijzonder wetenschappelijk onder-
wijs een vertrouwensrelatie op te bouwen, waarbij de bijzondere instellingen
een ruimer vrijheid zouden hebben.'***
464. Zie blzz. 16—17 van de Memorie van Toelichting bij het ontwerp-Veringa.
465. Zie pai. 111.9.3.
466. Zie par. II.5.2.
177
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's