Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 189

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 189

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

alleen gelden voor de inrichting van het onderwijs, maar ook voor de in-

richting van het bestuur. Voor de erkenning van het onderwijs heeft echter

van meet af aan als voorwaarde gegolden en is als zodanig aanvaard, dat de

bijzondere universiteit zich bij de inrichting van dat onderwijs richt naar de

bepalingen die, ter waarborging van de deugdelijkheid, in de wet en het

academisch statuut worden gegeven voor de toelating tot en voor de inrich-

ting van het onderwijs alsook voor de wijze van afnemen van de examens aan

de openbare universiteiten. Men dient daarbij te bedenken dat in die regeling

wordt gesproken over senaat, faculteiten etc. Hiermee worden bedoeld de

organen van het academisch zelfbestuur waarvan de samenstelling en de taak

elders in de wet in hoofdlijnen zijn geregeld. Nu zijn de bepalingen over de

inrichting van het bestuur van de senaat, de faculteiten, de interfaculteiten

en de subfaculteiten van een rijksuniversiteit bij artikel 16 van de wet op het

wetenschappelijk onderwijs destijds nog niet uitdrukkelijk (in grote lijnen)

mede — bij wijze van voorwaarde voor de erkenning en bekostiging — van

toepassing verklaard op de bijzondere universiteiten. Dit neemt niet weg, dat

de regeling van de hoofdzaken van de organisatie van het universitaire be-

stuur voor de rijksuniversiteit op het gebied van het onderwijs en de weten-

schap wèl altijd is beschouwd als maatgevend voor die bijzondere instellingen

van wetenschappelijk onderwijs, die voor erkenning als gelijkwaardig aan de

eerder bedoelde instellingen in aanmerking wensen te komen'.'**'*

De strekking van deze vrij lange passage is, dat de bijzondere instellingen

ook onder de wet WO niet een vrijheid van inrichting van het bestuur kenden

en dat daarom de WUB die vrijheid niet kan aantasten. De toelichting van de

minister was in drieërlei opzicht kwestieus. Om de beginnen stelde hij daarin,

dat de impliciet voorgeschreven bestuursinrichting onder de wet WO verband

hield met de erkenning van de bijzondere instelHngen. Gesteld al, dat dit juist

zou zijn geweest — quod non! — dan nog mocht hij dit argument op deze

plaats niet gebruiken, omdat de bestuurshervorming van de WUB de bijzon-

dere instellingen van wetenschappelijk onderwijs niet als een voorwaarde

voor erkenning werd opgelegd; zouden deze instellingen niet hebben voldaan

aan het bepaalde in de WUB dan zouden zij krachtens art. 2 alleen van bekos-

tiging door de overheid zijn uitgesloten, maar hun erkenning hebben be-

houden. Op geen enkele plaats is dan ook betoogd, dat de WUB ook maar

iets met de deugdelijkheid van het wetenschappelijk onderwijs te maken zou

hebben; integendeel.'**'

In de tweede plaats vormde het betoog van de minister een schril contrast

met de werkelijkheid. Nadat onder de HO-wet de erkende bijzondere univer-

siteiten en hogescholen inderdaad hadden moeten voldoen aan de voor-

waarde, dat zij een college van curatoren zouden hebben, was deze voor-

waarde bij de totstandkoming van de wet WO vervallen; nadrukkelijk met de

bedoeling om tussen de overheid en het bijzonder wetenschappelijk onder-

wijs een vertrouwensrelatie op te bouwen, waarbij de bijzondere instellingen

een ruimer vrijheid zouden hebben.'***

464. Zie blzz. 16—17 van de Memorie van Toelichting bij het ontwerp-Veringa.

465. Zie pai. 111.9.3.

466. Zie par. II.5.2.

177

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 189

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's