De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 119
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
lijk karakter van de subsidie vérstrekkende consequenties verbinden; met het
oog daarop heeft de grondwetgever van 1917 duidelijk doen uitkomen, dat
tegenover de subsidieverlening het verlies van een deel van de vrijheid van het
bijzonder onderwijs als gevolg van het stellen van eisen van deugdelijkheid of
van voorwaarden voor bekostiging zal kunnen staan. Tegelijk zijn echter
waarborgen geschapen voor het behoud van de meest fundamentele elemen-
ten van de vrijheid van onderwijs en tegen uitholling daarvan.
III.3.2. De voorwaarden voor subsidiëring
In de onthoudingsstaat van de negentiende eeuw verleende met name de
rijksoverheid slechts mondjesmaat en met grote terughoudendheid subsidie;
sedertdien heeft de subsidiëring echter een grote vlucht genomen.'^ Veel par-
ticuliere activiteiten, die bleken te voorzien in een brede behoefte, hebben
bij de opbouw van de verzorgingsstaat van de twintigste eeuw op verschillen-
de terreinen van het maatschappelijk leven een belangrijke rol gespeeld.'^
Deze particuher geïnitieerde activiteiten hebben een allengs grotere financiële
steun van de overheid verkregen; immers 'die Verwaltung kann mit Hilfe von
fmanziellen Zuwendungen ihre Ziele ohne Anwendung obrichkeitlicher
Zwangsgewalt durchsetzen, ein Weg, der eher marktwirtschafthchen Grund-
satzen entspricht als eine Lenkung durch Gebote und Verbote'.''' Hier is dus
sprake van een streven naar de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen
van de overheid door middel van subsidieverlening en het bevredigen van
algemene behoeften. Mede daarom zijn de te subsidiëren activiteiten niet
willekeurig, maar moeten zij op enigerlei wijze in het overheidsbeleid inpas-
baar zijn;'' vanuit dat beleid behoort de overheid zich ook voor de toeken-
ning van subsidies te kunnen verantwoorden.'*
De subsidiëring van particuliere activiteiten heeft een tweeledig gevolg. In
de eerste plaats heeft de ruimere financiële armslag van gesubsidieerde, parti-
culiere activiteiten veelal geleid tot een verbeterde kwaliteit en een professio-
nalisering van deze activiteiten; de initiërende particulieren zijn daardoor wat
op de achtergrond geraakt. Voor wat betreft het welzijnsbeleid stelt Van
Krefeld daarom, dat het oorspronkelijke particuHere initiatief sterk is versta-
telijkt en gebureaucratiseerd; dit leidt volgens hem tot verschuivingen in het
besluitvormings- en organisatiepatroon van het welzijnsterrein.''' Eerder is al
gesignaleerd, dat het verlenen van subsidie aan particuUeren de band tussen
deze particulieren en de overheid versterkt; de gesubsidieerde activiteiten
92. Zie dr. H.A. Brasz: 'De overheidssubsidie', preadvies NJV XLIV, 1961.
93. Vgl. Van Krefeld: 'In hoeverre mogen en moeten bij het verlenen van subsidie voor-
waarden worden gesteld?', blz. 90.
94. Zuleeg: 'Rechtsform', blz. 5.
95. Vgl. Van Krefeld, blz. 68.
96. Vgl. Van Krefeld, blz. 69; voorts mr. J.Th. de Ruwe: 'Enige aantekeningen betref-
fende subsidiëring'. Bestuurswetenschappen 1966, no. 5, blzz. 265—270; COBA-rapport
en de reactie daarop van drs. J.C.Franssen/drs. A.B. Ringeling: De COBA en de overheids-
subsidie', Bestuurswetenschappen 1977, no. 5, blzz. 340—350.
97. T.a.p. blzz. 94-96.
107
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's