De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 12
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
ruim een halve eeuw vrijwel ononderbroken van kracht blijven'' — maakte
wederom onderscheid tussen openbare scholen en de met toestemming van
de overheid gestichte bijzondere lagere scholen.*
Als gevolg van de invoering na 1795 van het beginsel van scheiding van
kerk en staat konden de scholen volgens de Lager-Onderwijswet 1806 'niet
meer steunen op de Kerk, waarmee de Overheid in beginsel gebroken had.
Eene pubUeke Kerk bestond niet meer; de school moest voortaan geheel
steunen op den Staat, die als zodanig zich met geen godsdienst of geloof
mocht inlaten'.' Maar terwijl deze wet aan de ene kant het geven van onder-
wijs 'in het leerstellige van elke Godsdienst' verbood,'" omschreef diezelfde
wet toch als doel van het lager onderwijs 'de opleiding tot alle Christelijke
en maatschappelijke deugden'. De wet ging uit van één school voor alle
gezindten; deze school werd aangeduid als de gemengde staatsschool. Het
gemengde karakter van deze school werd evenwel niet altijd even streng
geëerbiedigd en veelvuldig had de gemengde school een 'protestantsch-ratio-
nalistischen tint'.''
Twee verdere kenmerken van de wet van 1806 waren het voorschrift, dat
voor de oprichting van een bijzondere school de autorisatie van het plaatse-
lijk openbaar gezag moest worden gevraagd. Deze toestemming kon door het
openbaar gezag steeds worden geweigerd, zodat de overheid zelf de oprich-
ting van bijzondere scholen kon stimuleren of afremmen; waar de overheid
een duidelijke voorkeur koesterde voor de gemengde staatsschool werd in de
praktijk slechts hoogst zelden toestemming tot het oprichten van een bijzon-
dere school verleend. Een tweede kenmerkend voorschrift van de wet was,
dat voor alle scholen een verphchte boekenlijst werd voorgeschreven.
1.1.2. De Grondwetten van 1814 en 1815
De na de omwenteling van 1813 tot stand gekomen Grondwet van 1814
verklaarde het onderwijs op de hoge, middelbare en lagere scholen tot een
voorwerp van aanhoudende zorg van de regering, zulks 'ter bevordering van
Godsdienst, als een vaste steun van den Staat en ter uitbreiding van kennis'.'^
Het valt op, dat deze Grondwet in één hoofdstuk 'den Godsdienst, het
openbaar onderwijs en het armbestuur' regelde. Tevens is op te merken, dat
hier voor het eerst sprake was van middelbaar onderwijs; tot dan toe werd
slechts onderscheiden tussen lager en hoger onderwdjs.'^
7. In de periode 1810—1813 was het nederlandse onderwijs geheel in het Franse ge-
üicorporeerd.
8. Art. 12 LO-wet 1806. Auteur van de wetten van 1803 en 1806 is Van den Ende
geweest; zie zijn 'Geschiedkundige schets'. Zie ook De Nooy, blzz. 19 e.v.; J.H. Meijssen:
'Lager Onderwijs in de spiegel der geschiedenis/1801 —1976', 1976.
9. Jhr.mr. A.F. de Savomin Lohman: 'De pacificatie', 1889, blz. 9.
10. Art. 20 Reglement A bij de LO-wet 1806; zie ook Scholten, blz. 36.
11. Aldus dr. C. Hentzen: 'De politieke geschiedenis van het lager onderwijs in Neder-
land', 1920, deel L
12. Art. 140 Grondwet 1814.
13. Over het middelbaar onderwijs zie men: dr. G. Bolkestein: 'De voorgeschiedenis van
het Middelbaar Onderwijs 1796-1863', 1914; dr. S. Elzenga: 'De grondslagen der Maat-
2
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's