Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 81

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 81

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

van het onderwijs aan die instellingen inhield; vrijwel automatisch volgde de

aanwijzing van beide instellingen, die voortaan de in de HO-wet of andere

wetten^''^ omschreven rechten zouden hebben.'^'

II.4.3. De wetgeving

Na de afkondiging van de wet-Kuyper is de regehng van de aanwijzing van

bijzondere universiteiten herhaaldelijk gewijzigd.

In 1920 vond een algehele overschakeling van doctoraten op doctorale

examens plaats; de effectus civilis werd verbonden aan met goed gevolg afge-

legde doctorale examens. Formeel betekende deze overschakehng een belang-

rijke uitbreiding van de effectus civiüs, omdat deze nu werd verbonden aan

zowel de doctorale examens als de doctoraten; in de praktijk heeft het

doctoraat als gevolg van deze wetswijziging sterk aan maatschappelijke be-

tekenis ingeboet en blijft het vrijwel uitsluitend van wetenschappelijke bete-

kenis.''** Deze uitbreiding van de effectus civilis leidde intussen niet tot een

uitbreiding van de voorwaarden voor aanwijzing ;''*'' ten vervolge op deze

wetswijziging werd in 1921 ook het Academisch Statuut ingrijpend gewij-

zigd, i'*»

Na een wijziging van de wet in 1925,''*^ waarbij de mogelijkheid werd ge-

opend om aan door bijzondere universiteiten afgegeven getuigschriften van

met goed gevolg afgelegde kandidaatsexamens gelijke rechten toe te kennen

als aan overeenkomstige getuigschriften van de rijksuniversiteiten, ^'^ zijn met

144. In de eerste jaren na 1937 waren aan de doctorale graden in de handelsweten-

schappen of de economie nagenoeg geen wettelijke rechten verbonden.

145. Voor de NEH zie KB van 10 augustus 1939, Stb. 373; voor de KH Tüburg zie KB

van dezelfde datum, Stb. 374.

146. De aan het doctoraat verbonden effectus civüis blijft van belang voor doctoraten

honoris causa en voor hen, die promoveren in een andere faculteit of studierichting, dan

waarin zij het doctoraal examen aflegden.

147. Wet van 1 maart 1920, Stb. 105. In deze wet werd voorts bepaald, dat de beper-

king van de geldigheidsduur van het doctoraalexamen ten aanzien van de promotie verviel;

aan door bijzondere universiteiten vóór de aanwijzing afgegeven getuigschriften zouden

gelijke rechten kunnen worden verbonden als aan nadien te verlenen getuigschriften.

148. Tot dan toe waren in het Academisch Statuut alleen de voorwaarden, waaraan een

doctoraat moest voldoen, opgenomen. Krachtens de wet van 11 juni 1921, Stb. 782,

werden daar de voorwaarden, waar de doctorale examens aan moesten voldoen, aan toe-

gevoegd; KB van 15 juni 1921, Stb. 800.

149. In dit bestek wordt niet nader ingegaan op de wetten van 7 november 1917, Stb.

616, en van 7 juni 1919, Stb. 307. Beide wetten breidden de toelating tot het weten-

schappeüjk onderwijs uit. In 1919 werd aan art. 186 HO-wet een nieuw lid c-bis toege-

voegd, waarin was bepaald, dat de aangewezen bijzondere universiteiten alleen met minis-

teriële machtiging vrijstelling van facultaire examens zouden mogen verlenen. Eveneens

van ondergeschikt belang was de wet van 13 juli 1923, Stb. 358, waarbij het coUegeld-

stelsel werd herzien.

150. Dit werd bereikt door aan art. 184 HO-wet een derde lid toe te voegen; wet van -23

maart 1925, Stb. 86. De rechten, waarop dit artikel doelde betroffen niet de uitoefening

van ambten of bedieningen. De betekenis van deze wetswijziging is, dat de bezitter van

een kandidaatsbul van een bijzondere universiteit hierdoor de bevoegdheid verkreeg om

aan een rijksuniversiteit het doctoraalexamen af te leggen zonder opnieuw het kandidaats-

examen te behalen. Deze wetswijziging werd aangebracht op advies van de Staatscom-

missie voor het hoger onderwijs 1923; zie eindrapport d.d. 21 juni 1924, blzz. 65—66.

71

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 81

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's