De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 145
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
met de voorwaarden voor bekostiging, dan betekent dit, dat de wetgever bij
het stellen van dergelijke bekostigingsvoorwaarden niet de vrijheid van rich-
ting in acht behoeft te nemen. De Grondwet noemt dan geen enkele mate-
riële beperking voor deze voorwaarden.'^^ Dit neemt intussen niet weg, dat
de wetgever zich bij het formuleren van deze bekostigingsvoorwaarden de
nodige zelfbeperking heeft op te leggen; de wetgever heeft er in het verleden
blijk van gegeven zich daar ten volle van bewust te zijn.^^^ Ook bij de tot-
standkoming van de wet WO is dit het geval geweest.
Tegen een deel van de door minister Cals voorgestelde overige bekostigings-
voorwaarden bestond bij de bijzondere instellingen geen bezwaar. Deze voor-
waarden hielden onder meer in, dat wijzigingen in de statuten of reglementen
van de rechtspersoon, waarvan een bijzondere instelling uitgaat, aan de
minister moeten worden medegedeeld; evenzo de benoeming van docenten.
De bijzondere instellingen zouden de minister de nodige inlichtingen en jaar-
lijks een verslag over het afgelopen studiejaar moeten verschaffen. Als van-
ouds zouden de salarissen bij de bijzondere instellingen niet hoger mogen zijn
dan bij de rijksuniversiteiten en de college- en examengelden niet lager.
Voorts werd op voet van wederkerigheid aan de leden van de Academische
Raad, van de besturende colleges en aan het personeel van de openbare in-
stellingen de bevoegdheid toegekend om het onderwijs aan de bijzondere
instellingen bij te wonen.
Tegen andere voorwaarden hadden de bijzondere instellingen aanvankelijk
ernstige bezwaren. Deze voorwaarden hadden betrekking op de ontwikke-
lingsplannen en de financiële schema's en op de wijze van subsidievast-
steüing.
III.6.1. Het ontwikkelingsplan en de financiële schema's
In de door minister Cals voorgestelde regeling van de bekostiging van open-
baar en bijzonder wetenschappelijk onderwijs namen het ontwikkelingsplan
en het financieel schema een prominente plaats in; 'ontwikkelingsplan en
schema van uitgaven staan in verband met begroting, jaarverslag en financiële
verantwoordingsstukken. Te zamen vormen zij reeksen op elkaar afgestemde
programma's en verslagen, die de werkzaamheden van de universiteiten bege-
leiden. Deze stukken zullen een beter inzicht geven in het te voeren en ge-
voerde beleid'.^^^ De tweede commissie-van der Pot had eerder al voorgesteld
te bepalen, dat op basis van de door de rijksuniversiteiten ingediende ont-
wikkelingsplannen en 'daarbij lettend op de ontwikkelingsplannen van de
andere insteüingen van hoger onderwijs'^^'' de minister een algemeen ontwik-
kelingsplan zou moeten opstellen, dat dan niet voor de bijzondere insteüin-
231. Vgl. Eindrapport staatscommissie Cals/Donner, blz. 234.
232. De in 1926 ingestelde Staatscommissie voor de herziening van de Lager-Onderwijs-
wet 1920 - de commissie Rutgers — kreeg onder andere tot taak om de niet-noodzake-
Ujke beperkingen van de vrijheid van onderwijs uit de LO-wet 1920 weg te nemen; KB van
2juU 1926, no. 120.
233. Rapport Commissie tot voorbereiding van de herziening van wetsontwerp 2597,
blz. 18.
234. Artt. 49 j 167 van het commissie-ontwerp.
133
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's