De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 75
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
vrij om in aanvulling op de voorgeschreven vakken ook alle door eigen begin-
sel ingegeven onderwerpen te doen doceren; daardoor is dit voorschrift
nauwelijks als een beperking van de vrijheid van onderwijs te beschouwen.
5. Behoudens dispensatie van de Kroon zou alleen onderwijs gegeven
mogen worden door docenten, die daartoe volgens de wettelijke bepalingen
bevoegd waren. Buiten kijf is, dat dit voorschrift werd gegeven in het belang
van de kwahteit van het onderwijs; toch betekent het een beperking van de
vrijheid van benoeming van docenten. Reeds in 1848 bestond aanvankelijk
het voornemen om een dergelijke beperking van de onderwijsvrijheid ook
voor het hoger onderwijs in de Grondwet op te nemen; op niet geheel
duidelijke gronden is dat toen niet gebeurd.'"^ Nu werd in het belang van de
kwaliteit van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs alsnog naar dit voor-
nemen teruggekeerd.'**
6. Om aan een aangewezen bijzondere universiteit een doctorale graad te
kunnen behalen moest door de studenten zijn voldaan aan de voor de rijks-
universiteiten geldende voorwaarden. In het belang van de kwahteit van het
onderwijs was dit voorschrift zeer wel te billijken; dat kan ook worden ge-
zegd van de aanvullende voorwaarde, dat de academische promoties aan
bijzondere universiteiten alleen in het openbaar mochten worden afge-
legd.'"** Omdat deze laatste voorwaarde echter niet gold voor de rijksuniver-
siteiten lijkt zij in strijd te komen met een andere eis, waaraan de tegenpres-
tatie van de overheid zou moeten voldoen, namelijk de evenredigheid als
onderdeel van het gelijkheidsbeginsel. '"^
Overziet men aldus de wet-Kuyper dan komt men tot de slotsom, dat de
wetgever op een tweetal — overigens ondergeschikte — punten een vrijwillige
beperking van de onderwijsvrijheid verlangde, namelijk voor wat betreft de
samenstelling van de colleges van curatoren en de openbaarheid van de acade-
mische promoties, die door de toekenning van de effectus civihs niet kon-
den worden gerechtvaardigd. De noodzaak van deze grondrechtbeperken-
de voorwaarden voor de toekenning van de effectus civiUs kan hier niet
worden aangetoond.'^ Anders gezegd: de wetgever misbruikt de hem ge-
geven macht om de effectus civilis toe te kennen of te onthouden voor het
afdwingen van ongerechtvaardigde grondrechtbeperkende voorwaarden. De
rechthebbenden — i.e. de eventueel aan te wijzen bijzondere universiteiten —
stonden daartegen behoudens de mogelijkheid om niet om aanwijzing te ver-
zoeken machteloos: de wetten zijn immers onschendbaar.
Tegen die onschendbaarheid van de wet zijn in het verleden vele auteurs te
103. Zie par. 1.5.3.
104. Zie par. II. 2.1.
104a. Dit voorschrift komt thans in de wet WO meer voor.
105. Vgl. 'Nederlands Bestuursrecht', blzz. 101-102.
106. Vgl. prof. mr. F.H. van der Burg: 'Is het wenselijk dat de overheid maatregelen
neemt tot ordening en publicatie van bestaande subsidievoorwaarden?', preadvies Hande-
lingen NJV 1977, deel I tweede stuk, biz. 37.
65
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's