Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 83

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 83

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

richting te geven werd in 1946 de Staatscommissie tot reorganisatie van het

hoger onderwijs ingesteld, de commissie-Reinink.'^^ Deze commissie kreeg

onder meer tot taak zich te beraden over een reorganisatie en vernieuwing

van het hoger onderwijs; over de vraag hoe het vormend karakter van het

onderwijs meer tot zijn recht zou kunnen komen en over 'de vraag in hoe-

verre (. . .) veranderingen zouden kunnen worden aangebracht in de ver-

houding tussen ( . . . ) het Rijk en de bijzondere universiteiten en hoge-

scholen'.

In 1949 werd de commissie ontheven van de taak om een concept-wet op te

stellen;'^* met die taak werd belast een driemanschap onder voorzitterschap

van prof. mr. C.W. van der Pot..'" Korte tijd later bracht de commissie-

Reinink rapport uit.'^^ Daarin werd weliswaar de wenselijkheid van een

wettelijke regeling van het bijzonder hoger onderwijs uitgesproken, maar

werd tevens voorgesteld om de bijzondere instellingen zelf de daartoe nood-

zakelijke voorstellen te laten formuleren.

Weer twee jaar later volgde het rapport van de commissie-Van der Pot,

bestaande uit een concept-wet met bijbehorende toelichting en een minder-

heidsnota van het commissielid Donner.'^' In juni 1952 diende minister

Rutten van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen tenslotte een wetsont-

werp — ontwerp 2597 — in bij de Tweede Kamer; dit ontwerp kwam in grote

lijnen overeen met de voorstellen van de commissie-Van der Pot.'*" Het

Voorlopig Verslag naar aanleiding van dit wetsontwerp verscheen pas in

1954.

In het jaar, waarin hij zijn wetsontwerp indiende, werd minister Rutten

opgevolgd door zijn vroegere staatssecretaris, mr. J.L.M.Th. Cals. In plaats

van de parlementaire behandeling van ontwerp-2597 te bespoedigen, bracht

hij eerst in 1956 een partiële herziening van de wetgeving op het stuk van het

technisch hoger onderwijs tot stand.'*' Vervolgens Het hij verschillende

andere vraagstukken, die in de nieuwe wetgeving aan de orde moesten

komen, commissoriaal verder uitdiepen.'*^ Pas daarna werd een Commissie

155. KB van 11 april 1946, no. 1. De commissie telde bijna 100 leden; voorzitter was

mr. dr. H.J. Reinink, secretaris-generaal van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en

Wetenschappen; zie ook Hofstee, t.a.p.

156. KB van 4 maart 1949, no. 17.

1"57. Beschikking van de minister van O., K. W. d.d. 18 mei 1949, HOW 98527; de

twee andere leden van de Commissie voor hoger onderwijswetgeving waren prof. dr.

F.L.R. Sassen en prof. mr. A.M. Donner.

158. Uitgegeven bij de Staatsdrukkerij, 1949.

159. In deze nota werd gesignaleerd, dat een zelfstandig-verklaarde rijksuniversiteit zich

wellicht op de grondwettelijke vrijheid van onderwijs zou kunnen beroepen. Voorzover

dit streed met de neutraliteit van het openbaar onderwijs werd deze cnnsequentie van

zelfstandig-verklaring van de rijksuniversiteiten onaanvaardbaar geacht.

160. Bijlagen bij de Handelingen H 1951-1952, no. 2597.

161. Wet van 7 juni 1956, Stb. 310. De directe aanleiding om vaart te zetten achter

deze partiële wetswijziging was de stichting van een tweede technische hogeschool te

Eindhoven.

162. Te denken valt aan de coramissie-Rutten, die werd ingesteld naar aanleiding van

het verschijnen van de 'Nota bevattende enige beschouwingen omtrent voorzieningen ten

behoeve van studenten' van minister Cals; Bijlagen bij de Handelingen II 1952-1953, no.

73

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 83

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's