De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 152
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
verslage" deelde de minister mede, dat hij na overleg met de beide bijzondere
universiteiten had besloten om nog geen concrete voorstellen te doen, maar
om in plaats daarvan eerst de mogelijkheden van bekostiging van deze theolo-
gische faculteiten nader te doen onderzoeken.
Ondanks deze toezegging bracht de KVP-er Stokman tijdens de openbare
behandeling van het ontwerp-Cals in de Tweede Kamer toch de bekostiging
van deze faculteiten ter sprake. Hij zei een subsidiepercentage van 95 in
plaats van 100 'een lacune in de gelijkheid van behandeling van openbaar en
bijzonder onderwijs' te vinden, die slechts aanvaardbaar was, mits ook de
theologische faculteiten binnen het subsidieverband zouden worden ge-
bracht. Een door hem ingediend amendement, dat beoogde dit te bewerkstel-
ligen, werd echter fel bestreden door de anti-revolutionairen, die terecht
bevreesd waren, dat aanvaarding van dit amendement tot aantasting van het
eigen karakter van de betrokken faculteiten zou leiden. ^*^ Het amendement-
Stokman werd daarop verworpen; in plaats daarvan werd een motie-
Bruins Slot^*'* aanvaard, die zich in principe uitsprak voor bekostiging van de
theologische faculteiten bij de bijzondere universiteiten en de minister uit-
nodigde om zo spoedig mogelijk een wettelijke regeHng voor te bereiden.
Met de uitvoering van de motie-Bruins Slot werd in eerste aanleg belast de
Commissie subsidiƫring theologische faculteiten,^*^ wederom onder voor-
zitterschap van mr. 's Jacob en daarom wel de derde commissie-'s Jacob ge-
noemd. Deze commissie had tot taak om te trachten het bepaalde in art. 208
van de Grondwet 1953 in overeenstemming te brengen met de eigen aard van
de theologische faculteiten van de VU en de KU. Art. 208 van de Grondwet
bepaalt, dat de eisen van deugdelijkheid aan het geheel of ten dele uit de
openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen bij wet moeten worden ge-
regeld. De eigen aard van de beide theologische faculteiten kwam tot uit-
drukking in hun relatie tot de kerkgenootschappen; terwijl voor de theolo-
gische faculteiten bij de rijksuniversiteiten de duplex ordo^** geldt, kenden
de faculteiten bij de bijzondere universiteiten krachtens hun oorsprong en
opzet slechts een simplex ordo.^*''
De voorstellen, die minister Cals de bijzondere universiteiten in 1960 met
betrekking tot haar theologische faculteiten deed,^*^ gingen er van uit, dat de
deugdelijkheid van het bijzonder theologisch wetenschappelijk onderwijs op
vrijwel dezelfde wijze zou kunnen worden gewaarborgd als van het overige
moeten worden; brieven dd. 20 september 1960, Archief directeuren VU 1960, nos. 558
en 559. Vgl. notulen directeuren VU dd. 2 september 1960, blz. 2963. De minister liet de
zaak toen rusten; brief dd. 27 september 1960, DGW 70616; notulen directeuren VU dd.
15oktober 1960, blz. 2980.
262. Bijlagen bij de Handelingen II 1959-1960, no. 2597, nrs. 16 en 17.
263. Het Academisch Statuut zou dan ook op deze beide faculteiten van toepassing
worden.
264. Bijlagen bij de Handelingen H 1960-1961, no. 2597, nr. 36; Handelingen II
1960-1961, blz. 2168.
265. Beschikking OKW dd. 7 januari 1961, DGW 73623.
266. Zie par. 1.7.5.2.
267. zie par. II. 1.1.
268. Zie hiervoor noot 261.
140
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's